Griezel Thierry Baudet

Tweede Kamer-lid Thierry Baudet schijnt wat vrouwonvriendelijke dingen te hebben geroepen waarna columniste Elfie Tromp van de Metro en haar collega Nynke de Jong van het Algemeen Dagblad oftewel de Feyenoord-fan-krant in hun kolommen vol gas gaven en de politicus met woorden aanreden, omver gasten, natuurlijk in de hoop dat de rechtse griezel daar nare gevolgen van zou of nog gaat ondervinden.

Baudet leeft nog in het tijdperk dat de meesters op de lagere school standaard een meisje in de klas sommeerden om de kots op te vegen als een klasgenootje – toegegeven, ook meestal een meisje – had overgegeven.

Ik herinner me overigens één meisje dat zichzelf aanbood als poetsvrouw. Fluitend sopte zij het overgeefsel oftewel braaksel weg van de klaslokaal-vloer en uit de haren van de buurjongen van de overgeefster. Volgens Baudet zijn meisjes en vrouwen alleen goed om de kots op te vegen van anderen. Bij voorkeur zijn braaksel. Hij braakt heel wat onzin uit.

Echter, in tegenstelling tot Tromp en De Jong kan ik me niet boos maken om de stupide uitlatingen van Baudet. Who the fuck is TB (S-er)? Het is die gladde aal-musketier Thierry maar – die man van chemisch plastic maar, die nemen we toch niet serieus? We gaan ons toch niet druk maken om wat deze rattenvanger-vanger allemaal aan onzin uitspuugt?

Negeren, is het beste. Nu weet ik wel, dat ik hem nu evenmin helemaal links laat liggen – wat meer links zou hem anders goed doen – en dat het best grappig of in elk geval ironisch is, dat ik een stukje wijd aan de mensen die zich druk maken over een druktemaker met te veel Twitter-tijd, maar laat dit dan het laatste zijn wat er is geschreven over Terror Bidet.

We hebben al een beroeps-eikel die we systematisch te veel aandacht geven – ome Geert. Laten we niet een tweede maal deze fout maken! Te veel eer voor zo iemand. Alhoewel ik ook vind dat we geen moskeeën meer moeten (laten) bouwen, geen dubbele paspoorten meer moeten tolereren, zo min mogelijk moslims en Oost-Europeanen moeten binnenlaten en alle immigranten verplicht moeten laten meevaren met de Gay Pride, maar dan wel met de erkenning dat het alleen de radicale islam en moslims zijn die gevaarlijk zijn en moeten worden aangepakt.

We springen er hoe dan ook veel te snel, te vaak en te snel bovenop als iemand wat stoms zegt of doet. Hetzelfde met die kut-terroristen. Na weer een aanslag nemen we opnieuw allerlei verscherpte maatregelen, terwijl de wannabe helden gewoon hun slagveld verleggen en elders en op een andere manier toeslaan.

Gewoon doorgaan met leven, met datgene waar wij zin in hebben en belang aan hechten, dat is de enige juiste repliek. Ontspannen reageren en negeren. Ons niet laten opfucken door al die grandfather-fuckers!

Maar wel streng straffen. Wie hier de boel verziekt, gebruik die maar als pedaalemmer voor het afval van alle chemische fabrieken, zodat er geen ziekmakend materiaal meer in ons drinkwater terecht komt. Het spraakwater van figuren als Baudet is toch al verontreinigd en van hun plannetjes komt toch nooit wat (goeds) terecht.

http://www.rolanddanckaert.nl

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Stijldansen

Ik ben nog van de generatie (1967) met ouders die het belangrijk vonden dat je op stijldansen ging, omdat kunnen walsen je in het sociale en maatschappelijke leven van pas zou kunnen komen. In de jaren vijftig van de vorige eeuw en daarvoor was stijldansen inderdaad vrij belangrijk, maar onze ouders konden of wilden niet bevroeden dat onze samenleving enorm zou veranderen.

Met tegenzin zat ik op stijldansen, bij Pietje Moors in Roermond, een toen al bejaarde of bejaard uitziende man met (nog maar weinig) spierwit haar, een scherpe, open blik, een glimlach op de lippen en blosjes op de wangen. Pietje groette alle voorbijgangers als hij door de stad liep, alsof hij iedereen persoonlijk kende en herkende. Hij groette ook mij altijd, nog voor ik bij zijn school danste.

Stijlloosdansen, was wat ik deed. Dat tellen van de passen – rekenen was het haast, en ik was rekenblind – vond ik werkelijk afschuwelijk. Stijldansen is me te onvrij, te wiskundig. Je danst volgens bepaalde vastgestelde patronen, formules. Niks voor mij. Ik ben een vrijbuiter. Ik bedenk mijn eigen dansmoves wel.

Ik was er niet heel erg slecht in, maar  ik was ook zeker niet goed. Eerder matig.

De jongens aan de ene kant, de meisjes aan de andere kant en dan moest je als jongen een meisje ten dans vragen (door op je voorkeur af te stevenen), alsof het niet 1984 was maar 1894. Ik – verlegen en niet initiatiefrijk – was er nooit snel bij en dus had ik altijd het meisje dat overbleef, het lelijkste meisje. Ik herinner me een grietje dat net tot boven de gesp van mijn broeksriem kwam. Ze had een krullig oma-kapsel met bijpassend oma-brilletje op haar Joodse neus. Ik schaamde me dat ik met haar moest dansen.

Onze kinderen zijn van de generatie met ouders die ze niet meer pushen richting danszaal of muziekschool. Dat is maar beter ook. In deze tijd draait alles om automatisering en digitalisering. Stijldansen en op een familiefeestje piano (kunnen) spelen, zijn helemaal uit de mode. De Smartphone is interessanter. Onze kinderen doen ons voor hoe het allemaal moet en werkt. En lossen onze computerprobleempjes op.

Het stijldansen ben ik helemaal verleerd, zoals ik 90 procent van wat ik op en van school uit mijn kop heb moeten stampen totaal ben vergeten of niet helemaal meer zeker weet. Kunnen stijldansen heb ik nooit nodig gehad, net zoals ik wiskunde in mijn leven gelukkig nooit nodig heb gehad. Heb ik in de wiskundeles en in de ballroom voor niks zo zitten lijden, zo zitten ‘doodleven’… Maar ja, ik ben er door gehard, dat dan weer wel…

http://www.rolanddanckaert.nl

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Mies Bouwman

Bij oud-tv-presentatrice Mies Bouwman – ik zag haar gisteravond in het tv-programma ‘De Wereld Draait Door’ – twijfel ik steevast of ze op de kijkbuis wel echt zo naturel is als bijna iedereen zegt. Ik heb namelijk altijd en steeds meer het gevoel dat ze heel erg goed een tv-persoonlijkheid acteert, dat ze op uitmuntende wijze Mies-de-tv-vrouw speelt. Of praat en doet ze thuis precies zo? Ik kan het me niet voorstellen. Op tv komt ze op mij over als een toneelspeelster, maar wel een heel goede.

Mies heeft beslist een bepaalde charme en charisma plus het tv-vak in haar DNA zitten, maar ik constateer toch ook altijd wel egocentrische, bijkans narcistische en dominante trekjes.

Mevrouw Bouwman blijft voor mij toch MIESSCHIEN…

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Slakkenhuis

Ik heb me nooit gewaagd aan het verorberen van escargots oftewel landslakken, maar ik vreet zo dadelijk een heel bord van dit ongedierte op, met slakkenhuis en al! We hebben in onze voor- en achtertuin namelijk last van een slakkenplaag. De glibberige gluiperds maken al onze planten kapot!

Ik heb spijt als de hoofdluis in mijn haar dat ik op de Partij voor de Dieren heb gestemd. Waar is Hitler als je hem nodig hebt, nazi-verdomme?! Ik heb iemand nodig die alle slakken uitroeit en dan niet een lid van een roeivereniging!

Marianne Thieme zou zeggen dat we in onze tuin een slakkenhuis moeten bouwen, een slakken-vriendelijk hok waar de naaktslakken en hun soort lekker samen kunnen hokken. De overburen bouwen volgens mij ook een slakkenhuis. De bouw van hun woning gaat zo traag…

Ik denk dat ik mijn ouwe Frans-lerares maar eens ga bellen. Die stond vroeger bekend als een slakkenverschrikker. Als zij in een restaurant in Parijs escargots bestelde en de slakken in haar soepbord zagen haar in de terrine staren, dan sprongen de dode slakken als Olympische krekels uit de soepkom en namen ze de benen (meestal de benen van de lange restaurant-eigenaar die zijn schaamhaar groen had geverfd).

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De sigarettenautomaat

Als kind van de jaren zestig-zeventig-tachtig in de twintigste eeuw groeide ik op met sigaretten. Roken was, toen ik jong was, heel normaal, een alledaags beeld.  

Mijn opa in en uit Zeeland rookte systematisch sigaren naast de kolenkachel. Daar stond zijn zetel. De geur van zijn sigaren vond ik werkelijk verrukkelijk. Als hij zijn dikke sigaar rookte, dan kwam opa – boerenknecht – zichtbaar helemaal tot ontspanning, en dan zat hij op zijn praatstoel. Ik kan de geur van zijn sigaren moeiteloos oproepen uit mijn geheugen. Nog steeds als ik sigaren ruik, denk ik aan opa die overleed toen ik 14 jaar was. En dan denk ik met weemoed terug aan de logeerpartijtjes (met mijn ouders en zussen) in Zeeland, aan onze bezoekjes aan Waterlandkerkje en Sluis, alsmede aan de pannenkoeken met koffiemelk van oma, de po naast het bed op het zoldertje en de waterput achter het huisje.

Mijn grootvader in Limburg (afkomstig uit Gelderland) rookte zware sigaretten van het merk Bastos in een blauwe verpakking. Hij kocht ze over de grens in België. Blijkbaar waren de sigaretten daar goedkoper. Of kon je het merk in Nederland niet krijgen? Mijn opa uit Wessem voer op een olieboot en rook altijd naar een mengeling van olie, buitenlucht en Bastos-sigaretten. Soms verbeeld ik me dat of lijkt het alsof ik de geur van zijn sigaretten plotseling, vanuit het niets, ruik.

Mijn Limburgse opa – die ik door de afstand veel beter heb gekend dan mijn Zeeuwse – was en is – op mijn zoon na en samen met mijn lievelingsoom Theo die helaas ook al dood is – de belangrijkste man in mijn leven. Gewoon omdat hij zo betrokken en lief was, en zo puur, zo echt.

Geuren prikkelen het geheugen. Ik moet immer aan Zeeland denken als ik verse prei op het land ruik. Zo rook het bij opa en oma aan de andere kant van Nederland vaak, naar verse prei. Een heerlijke, kruidige geur.

Mijn vader rookte aanvankelijk best veel. Een pakje per dag of zoiets. Mijn moeder was een gezelligheid-rookster. Op feestjes pafte ze er eentje mee. Toch waren het in die tijd met name de mannen die (veel) rookten. Tegenwoordig lijken meisjes en vrouwen vaker en meer te roken dan kerels, of is dat optisch bedrog?

Behalve de bekende groene telefooncellen (met telefoonboeken!) die grotendeels uit het straatbeeld zijn verdwenen, stond er in elke wijk van ons land wel een sigarettenautomaat, een machine waar je geld in stopte in ruil voor een pakje Caballero of Stuyvesant. Op de verpakking zat met plakband het terug-geld, het kleingeld, geplakt. Stel dat je 4 gulden in zo’n apparaat moest werpen, terwijl een pakje 3,75 kostte, dan zat er onder het plakband op het pakje sigaretten dus een kwartje (25 gulden-cent). Dikwijls werd je door je ouders naar de sigarettenautomaat gestuurd, met het benodigde bedrag. Met name als er bezoek was, stuurde men de kinderen om een dergelijke boodschap.

Heel veel mensen rookten. Je zag voetbaltrainers van topclubs met een sigaret op de bank zitten en uit de dug-out stormen, op televisie rookten de geïnterviewden en de vragenstellers er dermate lustig op los dat de rookwalmen het beeld vertroebelden, in films werd veel gepaft en op familiefeestjes en feestjes van wat oudere pubers stonden er altijd glaasjes op tafel met daarin een handvol sigaretten, zodat de gasten naar believen van het rookspul konden pakken en niet hun eigen tabak hoefde aan te spreken. Het was een teken van gastvrijheid, het aanbieden van sigaretten. Overal zag en hoorde je reclame over en voor tabak en fotomodellen, acteurs en zangers werden meestal gefotografeerd, terwijl ze een sigaret in hun handen of mond hadden. Roken was stoer, roken was hip oftewel modern!

Een enkeling rookte pijp. Dat was voornamelijk voorbehouden aan geitenwollen-sokken-types met grijze sokken in hun sandalen en een ringbaard. Ik meen dat mijn gitaarleraar, Frans Banens, pijp rookte, maar ik kan me vergissen. Banens was op het oog een dromerig en zelfs slaperig figuur, erg serieus, prestatiegericht, toegewijd en afstandelijk, maar niet heel streng. De reuk van een pijp kan me high maken van genot.

De geur van brandend tabak in de buitenlucht vond en vindt deze blogger/freelance journalist erg lekker. Als we naar een voetbalwedstrijd gingen van Roda JC, MVV, VVV Venlo of Fortuna Sittard en de zon scheen en het gras was vers gemaaid, dan kon de toevoeging van het aroma van sigaretten en sigaren de kers op de geurtaart zijn.

Op welke leeftijd en waar en wanneer ik mijn eerste sigaret rookte, kan ik me niet herinneren. Ik weet wel dat ik het zo spannend vond, dat ik er een lichte erectie door kreeg. Zoals alle mannen weten, is een erectie het allerlekkerste gevoel dat je als man kunt hebben. Er gaat niets boven het krijgen en hebben van een goeie stijve. En als je dan ook nog een man en/of vrouw in de buurt hebt die wel raad weet met je hefboom, dan is het écht feest in de hemel op aarde.

Rookten de leraren in de klas? Ik meen van wel. Ik weet het niet zeker. Vast wel. Roken was nergens verboden. Alcohol nuttigen, was natuurlijk alleen geoorloofd in je vrije tijd, op feestjes en in het uitgaansleven. Van roken, ga je immers niet slechter presteren, van alcohol wel. Bovendien beïnvloedt sterke drank in negatieve zin je gedrag en reactievermogen, tabak niet of veel minder.

Wanneer ik als student ‘Journalistiek’ met de trein naar Utrecht reisde, en weer terug naar Roermond, en ik kwam noodgedwongen of per toeval in de rokersruimte te zitten, dan vond ik de sfeer meestal veel meer ontspannen en gezelliger dan bij de treinende niet-rokers. In de rokerscoupé leek meer en leuker te worden gebabbeld. Toch vermeed ik als het even kon het rokersgedeelte, omdat ik de stank in mijn kleren wilde voorkomen en gezond wilde blijven. Het is immers echt niet zo, dat in die tijd niet bekend was dat roken schadelijk is voor de gezondheid. Dat wist men drommels goed. Men was zich er niet zo van bewust als heden ten dage, maar het was duidelijk dat roken niet gezond was.

Zelf heb ik nooit echt gerookt. Soms kocht ik een pakje en na twee sigaretten, gooide ik het pakje weg. Mijn laatste sigaret dateert van zo’n twintig jaar geleden. Na een vrijpartij staken mijn vriendin – huidige vrouw en fel anti-tabak – en ik een paffertje op, zoals we acteurs en actrices dat in films en tv-series zagen doen: roken in bed, na de seks. Het bleek niks voor ons te zijn. Niks lekkers aan. Op tv zag het er altijd zo sexy en ontspannen uit, maar in het echt is het onpraktisch en eigenlijk best wel vies. De smaak van sigaretten op je lippen en tong en de geur van het tabak in je haren, handen en kleren is gewoonweg goor. Bah!

Ik vind de tabaksgeur alleen nog steeds lekker in de buitenlucht, als iemand een rokertje opsteekt. Maar in een ruimte vol met rokers krijg je die bedompte walm. Vies! Ik weet nog dat een broer van mijn vader, oom Honoré, vaker een sigaret opstak in zijn auto. Dan hield hij de peuk onder zijn neus, maakte hij draaibewegingen met zijn neus rondom en in de rook en dan genoot mijn oom intens, van de reuk. Op die manier zag ik hem zelden genieten. Alleen bij muziek, zoals van James Last en BZN, genoot hij zo diep, zo zichtbaar.

Zo een of twee keer per jaar koop ik een sigaar bij het tankstation, als ik het vullen van de benzinetank van onze auto – die op naam van mijn vrouw staat, want ik heb geen inkomen – moet afrekenen. Dan ga ik ergens op een bankje zitten en steek ik die sigaar aan en op. Maar ik doe het voornamelijk voor de geur. De smaak van de bolknak vind ik eigenlijk misselijkmakend.

In deze tijd wordt er een fel anti-rook-beleid gevoerd. In de kroegen, disco’s, restaurants en op kantoor maar ook op de bank in het voetbalstadion (als trainer) mag je niet meer paffen. Roken, dat doe je maar buiten. Op de verpakkingen staan met koeienletters waarschuwingen aan het adres van de rokers die hun leven riskeren door een filter tussen hun lippen te duwen. Op de filmset en in tv-studio’s wordt amper nog gerookt. Reclame voor tabakswaren zie en hoor je niet meer. De sigarettenautomaten zijn verdwenen.

Rook je toch, dan word je beschouwd als een zelf-vernietiger en als een gevaar voor de gezondheid van de mensen in je directe omgeving. Ondertussen verhogen we bij onszelf en elkaar de stress en prestatiedruk, slikken we meer drugs dan ooit en zuipen we dat de koning van Thailand er slagtanden van krijgt. Tsja… het anti-rook-beleid is heel populair, doch in z’n geheel beschouwd is het best wel selectief…

http://www.rolanddanckaert.nl

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De Voetbalrellen

Over mijn moeilijke, zware jeugd heb ik al heel lang en heel veel bericht. Maar ik herinner me wel degelijk gezellige tv-avondjes, leuke familiebezoeken, vlaai op zaterdagavond, lekkere maaltijden, een fijne rondreis door eigen land met mijn ouders en heerlijke vakanties in Torrevieja, Spanje. En, last but not least: het bijwonen van heel veel wedstrijden in het Nederlandse betaalde voetbal plus een kwalificatiewedstrijd van Oranje tegen Malta die werd afgewerkt in Aken.

Mijn vader en ik waren en zijn allebei voetbalfanaten. We keken op tv niet alleen naar de Nederlandse competitie, maar ook naar de Duitse en de Belgische. Papa was in zijn jeugd in Zeeland naar eigen zeggen een razendsnelle rechtsback die het de beste buitenspelers moeilijk maakte dankzij zijn verbetenheid, slidings, snelheid en tackles. Soms waren er mensen van de tegenpartij die aan zijn trainer vroegen wie die snelle rechtsback eigenlijk was.

Hoewel mijn vader altijd heeft beweerd geen voorkeur te hebben voor een club, vond ik hem altijd erg enthousiast over Feyenoord. Ik ben al mijn hele leven voor Ajax. Volgens mij wilde papa me niet voor het hoofd stoten door toe te geven voor de aartsvijand van Ajax (en dus van mij) te zijn, en was hij bang dat onze toch al turbulente relatie anders helemaal zou verslechteren of doodbloeden.

De wedstrijden van mijn favoriete club sloeg ik nooit over. Maar het allerleukste was toch zelf pielen met die bal. Ik was een balverliefde pingelaar, een technische maar langzame rechtsbuiten met een redelijke steekpass en een afgemeten voorzet.

De (lange) gesprekken met mijn vader gingen bijna altijd over voetbal. Daarin konden we elkaar vinden. Hij is trouwens nog trainer geweest van het ambtenarenteam, ASOV genaamd, als ik me niet vergis.

Met mijn vader en moeder – ik was niet graag alleen met mijn vader – bezocht ik gedurende vijf, zes jaar heel veel wedstrijden in het betaalde voetbal. Tijdens mijn puberteit was dat. Het vaakst gingen we naar Roda JC in Stadion Kaalheide in Kerkrade. Dan moest je de auto redelijk ver van het sportcomplex langs de kant van de weg parkeren, in een buitengebied, langs een doorgaande weg. Vandaar was het nog tien minuutjes lopen naar het sportcomplex. We stonden meestal op de onoverdekte staantribune, schuin achter de goal. Het voetbalveld werd omzoomd door een sintelbaan, een atletiekbaan dus. De afstand van de tribune tot het veld was daardoor vrij groot. Wat er aan de overkant van het veld gebeurde, was niet altijd even goed te zien en te volgen.

In de begintijd dat we naar Roda JC gingen, stonden we vaak tegen de dranghekken aangedrukt. Het stadion zat in die tijd propvol en de mensen stonden rijendik op de tribunes samengepakt, zelfs in de ‘gangpaden’. Heel benauwend.

Heel leuk vond ik het, dat ik na een Roda JC-Ajax – die de Amsterdammers dik hadden verloren – de spelers uit de hoofdstad zag zitten in de spelersbus, bij het wegrijden van de parkeerplaats. Vanuit de auto was dat. Ruud Geels, de spits, zag me gluren en gaf me een knipoog. Geweldig gebaar vond ik dat.

Mijn moeder kende de stadionspeaker van Roda JC, mijnheer Krewinkel. Als vertegenwoordiger van stoffen kwam hij regelmatig zijn waren aanprijzen in de winkel waar mijn moeder werkte. Ik vond het heel stoer dat mijn moeder de omroeper kende.

Tijdens de rust van de wedstrijden gingen de tribuneverkopers rond met ijs en chocolade repen. “Roda-ijs, altijd prijs.” Meestal kocht mijn vader wel wat voor ons.

Wanneer mijn favoriete club Ajax op bezoek was, dan schreeuwde ik – klein en mollig als ik was – de longen uit mijn lijf. Veel andere, volwassen supporters vonden het grappig dat zo’n klein ventje zo’n enorm geluid produceerde en als enige Ajax-fan tussen het thuispubliek zijn cluppie aanmoedigde. Als ik dan ’s avonds met mijn vader naar Studio Sport keek, hoopte ik dat je mijn geschreeuw op de tribune kon horen. Met gespitste oren luisterde ik of ik mezelf ‘Ajax’ hoorde roepen.

Tijdens de wedstrijd van het Nederlands elftal tegen Malta, gespeeld op 19 december 1982 in Aken – ik was toen 14 jaar – werd ik op de tribune door een volwassen supporter ‘Bondscoach’ genoemd, omdat ik voortdurend vertelde hoe Oranje zou moeten spelen. ‘We’ wonnen die wedstrijd in de kou trouwens met 6-0.

Mijn ouders en ik gingen ook regelmatig kijken bij VVV Venlo, Fortuna Sittard en MVV uit Maastricht. Ik weet nog dat ik een keer met mijn vriend Ben en zijn oudere broer Ruud naar MVV-Ajax ben wezen kijken en dat we bij terugkomst op de parkeerplaats ontdekten dat ik het portier van de Citroën van Ben’s broer niet op slot had gedaan. Het werd me maar 2 seconden enigszins verweten, maar ik voelde me ontzettend schuldig, ook al was er niks uit de auto gestolen. Autodiefstallen kwamen in die tijd veel voor. Vrienden van ons ontdekten op een dag dat hun luxe Renault op hun Spaanse vakantie-adres helemaal leeg was geroofd.

Reeds als kind heb ik ontzettend genoten van het betaalde voetbal, maar in die periode werd het plezier vergald door het hooliganisme, de voetbalrellen. Er ging haast geen weekeinde voorbij of in een of meerdere stadions brak de pleuris uit. Op televisie zag je iedere zondag beelden van fans die slaags waren geraakt met elkaar en van ME-ers die met hun wapenstokken verwoed op de belhamels insloegen.

Ik kon maar niet begrijpen waarom die gasten – die zogenaamde voetbalfans – zo agressief deden en zo graag met elkaar op de vuist gingen, verboden vuurwerk afstaken en/of dingen naar spelers op het veld gooiden. Ik haatte dat geweld. Ik haatte het iedere keer geconfronteerd te worden met mensen – mensen? – die het hele voetbal verziekten. Ik wilde dat het stopte!

Als stadionbezoeker heb ik in die tijd regelmatig voetbalrellen met eigen ogen gezien. Ik ben sowieso een heel erg gevoelig en daardoor bang aangelegd persoon, en ik scheet telkens in mijn broek als in een supportersvak in onze buurt ramen kapot werden geslagen, mensen van de tribune naar beneden rolden en de ME moest ingrijpen. Heel onaangename beelden, en een heel angstaanjagende sfeer. Ik betreurde deze hele gang van zaken enorm. Als voetballiefhebber heb ik er echt een beetje onder geleden, onder dat hooliganisme.

Tijdens een wedstrijd van Ajax – volgens mij in Maastricht – waren er wederom hevige rellen uitgebroken op de tribune en deed acuut het bericht de ronde dat er ter plekke een meisje was verkracht door een stel Amsterdammers. Op de tribune dus! Het leek en lijkt me sterk, maar die gasten waren tot alles in staat. Het geweld kwam toen heel dichtbij: op een steenworp afstand van waar wij de wedstrijd probeerden te volgen, werd er keihard gevochten. Mijn beste vriend Ben merkte dat ik bang was en kwam ter bescherming achter me staan en zei: “Er gebeurt je niks.” Heel attent. Heel lief eigenlijk.

Het was een verschrikking, dat hooliganisme in heel Europa. Het was een vorm van terrorisme waarbij je je afvraagt wat de daders bezielt, net als nu met die moslim-terroristen, met die IS-duivels. Er zijn nou eenmaal ook slechte en agressieve mensen, zoals er destructieve natuurverschijnselen en agressieve dieren zijn. Door een mengelmoes van karakter (aanleg), foute vrienden en een foute groepscultuur, alcohol en drugs en hier en daar frustrerende persoonlijke omstandigheden zul je altijd lui blijven hebben die de boel verzieken.

Het voetbalvandalisme is gelukkig grotendeels aan banden gelegd door de vele camera’s, de invoering van de clubcard, de stadionverboden, het weren van uit-fans bij risicowedstrijden en de meldplicht tijdens wedstrijden.

http://www.rolanddanckaert.nl

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De Wiskundeleraar

Op rekenkundig gebied ben ik zwakbegaafd. Dat bleek op de lagere school al snel. De onderwijzers werden net als ikzelf en mijn ouders wanhopig van mijn onvermogen om de breuken te snappen. De tafeltjes uit mijn kop knallen, dat ging nog wel, en delen, optellen en aftrekken ook, maar de breuken nekten me. Daardoor lag ik met rekenen een klas – minstens een paar maanden – achter op de rest.

In taal was ik redelijk goed. Niet heel goed, maar goed genoeg, zeg maar. Ik was achteraf gezien vooral een heel creatief en gevoelig kind. Ik hield van zingen, toneel spelen, voetballen (pingelen) en voorlezen. Als kleine jongen zong ik op het gras in de achtertuin van ons ouderlijk huis Nederlands-talige liedjes, zoals Ik ben Gerrit en ik steel als de raven, ik ben een boef in het land der braven. Het handvat van een springtouw gebruikte ik als microfoon.

Mevrouw Frielink, de buurvrouw, heeft me ooit een kwartje (25 gulden-cent) gegeven voor mijn buiten-optreden. Een heel lief gebaar. Maar zij was dan ook een heel lief mens. Ze was zo’n buurvrouw die soep kwam brengen als mijn moeder ziek was en die het in huis altijd gezellig maakte met thee en biscuitjes. Ik weet nog dat ik eens met natte haren op de oprit stond en dat mevrouw Frielink tegen mijn vader zei: “Roland is net zo’n Engels kostschool-jongetje.” Ik wist toen niet of ik dat als een compliment moest opvatten of als een belediging. Mijn vader antwoordde: “Ja, nu zijn z’n haren nat en plat, maar anders ziet hij er wel leuk uit.”

Mijn vader heeft wel eens geprobeerd om me de breuken uit te leggen, maar net als de onderwijzers had zelfs hij weinig geduld met me en weinig begrip voor mijn onkunde. Bovendien kon hij net als de leerkrachten niet goed uitleggen. Iets goed kunnen uitleggen, betekent dat je iets begrijpelijk kan maken voor iemand die er echt helemaal niets of weinig van snapt. De meeste mensen die iets uitleggen, beginnen al te moeilijk en willen te snel, die starten niet vanaf nul. Omdat ze het zelf zo goed snappen, kunnen ze zich niet verplaatsen in de ander.

Ondanks mijn slechte rekenvaardigheid ben ik nooit blijven zitten. Zelfs niet op de middelbare school, de Rijksscholengemeenschap in Roermond, gelegen aan de Jagerstraat, tegenover de sportvelden. Het was een wit, modern gebouw, van binnen onderverdeeld in kleuren, letters en cijfers. Ik geloof dat het A-gedeelte van het gebouw blauw was, het B-gedeelte groen en het C-gedeelte geel of oranje, maar ik kan er naast zitten. In het A-gedeelte werden de pretpakket-vakken gegeven (talen, Geschiedenis, Maatschappijleer, Handelskennis en Aardrijkskunde), in het B-gedeelte Natuurkunde, Wiskunde, Scheikunde en Biologie en in het C-vak de creatieve vakken zoals Handvaardigheid en Muziek. Althans, zo staat het me bij.

Hoewel ik van de natuur en van muziek hield, had ik een hekel aan ‘Muziek’ en ‘Biologie’. Deze vakken werden op een manier gegeven die ik oersaai vond. Hoe konden ze van zulke interessante en leuke disciplines zo’n oninteressant vak maken?! De leraren die deze vakken doceerden, waren net als de Nederlands-docenten verschrikkelijk saai. Het leukste – op de meest attractieve wijze en door de leukste leraren – werden Geschiedenis, Aardrijkskunde, Engels en Frans gegeven, vond ik.

Handvaardigheid vond ik verschrikkelijk. Echt verschrikkelijk. Ik heb twee linkerhanden en had reeds als kind een bloedhekel aan kleuren en knutselen. Ik weet nog dat de Handvaardigheid-leraar een soldeerwerkje of zoiets van mij beoordeelde, mijn cijfer noteerde (een 5 geloof ik) en mijn broddelwerk regelrecht in de prullenbak smeet. Dat ding stond naast hem. Zonder mij nog een blik waardig te gunnen of iets tegen me te zeggen. Zo tactloos! Leraren kunnen soms zo slecht met kinderen omgaan!

Spreekbeurten geven, dat was voor mij een nachtmerrie, omdat ik leed aan heel hevig blozen en daarmee gepaard gaande bloosangst. En ik had al zo’n hekel aan de permanente rode blosjes op mijn wangen. Die rode konen vond ik stom en ontsierend. Ik kan me spreekbeurten herinneren over een indianenstam in het amazone-woud en over de kerkuil (op basis van artikelen in een tijdschrift van mijn ouders en via informatie uit de encyclopedie). Voor Muziek had ik het over free jazz, omdat ik bij mijn oudste zus op de kamer toevallig een LP (langspeelplaat van vinyl) had gevonden.

Tijdens de hierboven laatst vermelde spreekbeurt werd ik weer vuurrood. Het was een martelgang. Mijn hoofd leek in brand te staan en moet roder zijn geweest dan ooit. Ik weet nog dat een meisje van school na de gymles tegen me zei: “Wat heb jij een rode kop.” En ik zat er al zo mee in mijn maag. Na de spreekbeurt foeterde de muziek-docent tegen de hele klas waarom we een spreekbeurt als zo verschrikkelijk ervaren. “Dat zegt hij, omdat jij zo rood werd,” fluisterde mijn buurman en vriend Ben tegen me. Heel goed voor mijn zelfvertrouwen.

De muziekleraar vond dat we een voorbeeld moesten nemen aan Peter die een geweldige spreekbeurt had gegeven over Elvis Presley en die zo ontzettend goed en mooi een nummer van The King had vertolkt, terwijl hij zichzelf op gitaar begeleidde. Die Peter voelde zich pas vrij voor de klas, pochte de leraar.

De tirade van de muziekleraar heeft me niet geholpen, integendeel. Ik voelde me door hem te kakken gezet. Ik voelde me onbegrepen en aan mijn lot overgelaten. Wat hebben leraren toch zelden het vermogen om kinderen met duidelijke problemen op een juiste manier te benaderen! Hun eigen onvermogen! Ik weet niet wat die docent in mijn geval – naar mij toe – had moeten doen, maar niet mij voor de hele klas bestraffend toespreken!

Had hij me na de les niet even apart kunnen nemen om in alle rust – vertrouwelijk, vaderlijk en bekommernisvol – te praten over mijn spreekangst en hevige blozen?

Op de Mavo en later de Havo waren mijn prestaties uitzonderlijk goed. Ik deed dan ook meer dan mijn uiterste best om te presteren en hoge cijfers te halen. Op de lagere school was ik een heel gewone leerling, niet heel slecht en niet opvallend goed. Op de middelbare gaf ik gas. Ik wilde revanche nemen voor de Cito-toets die ik dermate had verknald dat ik alleen maar naar het LBO kon, het Lager Beroeps Onderwijs. Mijn vader en de directeur van de lagere school hebben moeten praten als Brugmannen om mij op een Mavo te krijgen. Toen de Rijks me een kans gaf, wilde ik de hele wereld laten zien wat ik waard was. En dat is gelukt. Ik heb het tot het HBO geschopt. Zo zie je maar, zo’n Cito-toets zegt niet alles.

Echter, met Wiskunde – weer dat verdomde rekenen – had ik op de Mavo de grootst mogelijke moeite.

Tot overmaat van ramp hadden we een heel erg strenge en ongeduldige leraar voor dat vak, mijnheer Maassen (ik weet niet of ik zijn naam goed spel). In mijn beleving droeg hij altijd een licht, geruiten colbertje, had hij een bleke huid, een gedrongen postuur en een wat pafferig gezicht, woonde hij in België, had hij een tamelijk dikke bril op en had hij zwart, plat haar. Maassen stuurde heel vaak iemand de les/klas uit, vaker dan welke andere leraar dan ook.

Als hem iets niet beviel, dan pakte hij een enorme stapel lege vellen papier en die gaf hij je mee als hij je de gang op stuurde. Die vellen moesten helemaal vol bij hem worden ingeleverd (met strafregels denk ik), dezelfde dag nog of de volgende morgen. Ik durf niet met zekerheid te zeggen of ik er door hem ooit ben uitgestuurd. Ik was een vrij brave leerling. Het enige dat ik me permitteerde is, dat ik er af en toe – uit het niets – een grap uitgooide en dat de hele klas dan dubbel lag. Maar dat durfde ik niet bij leraren als Maassen! En ik herinner me, dat ik bij Maatschappijleer altijd het hoogste woord had. Ik vond het toen al leuk om te discussiëren en analyseren. Dat heb ik van mijn vader.

Ook Maassen kreeg mij niet aan het rekenen. Ik snapte er gewoon geen bal van, van die sommen! Oh, wat haatte ik dat vak! Ik deed maar wat. Naar iedere Wiskundeles ging ik met lood in de schoenen toe.

Op een morgen riep Maassen mij bij zich, klassikaal. “Danckaert, hier komen met je cijferlijst.” Het leek het leger wel! Ik werd trouwens uitgeloot voor militaire dienst. Gelukkig maar, want alleen al de keuring voor de dienstplicht – met al die drukke, lelijke, schreeuwende jongens van mijn generatie – heb ik als traumatisch ervaren. Ik stond zelfs met een pisvlek in mijn onderbroek voor de legerarts.

Maar goed, ik naar voren, naar Maassen, toe met mijn agenda waarin we – achterin, meen ik – onze punten moesten noteren. Eigenlijk vond ik het heel fijn dat Maassen mijn puntenlijst wilde zien, want ik had voor alle andere vakken – zelfs voor Scheikunde en Natuurkunde – (tamelijk) hoge cijfers. Zwijgzaam bekeek Maassen mijn resultaten. Hij zei niets, maar ik voelde dat hij onder de indruk was van mijn verdere schoolprestaties. “Danckaert, ga maar weer zitten.”

Na dit intermezzo heeft Maassen me voor mijn gevoel altijd met (meer) respect bejegend. Hij nam me mijn slechte cijfers voor Wiskunde niet meer kwalijk. Hij heeft het nooit tegen me gezegd, maar ik weet zeker dat hij in heeft gezien dat Wiskunde gewoon niet mijn discipline is. Niet dat hij de moed opgaf om me toch iets meer van zijn vak bij te brengen, maar hij liet me wel met rust. Zijn houding ten opzichte van mij was veranderd. De wijze waarop hij naar me keek en tegen me sprak, verschilde met vroeger. Dat vond ik natuurlijk heel erg prettig.

Zo snel als ik kon liet ik Wiskunde vallen, net als Biologie, Natuurkunde en Scheikunde. Eindelijk verlost van dat verdomde rekenen!

http://www.rolanddanckaert.nl

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen