Twee levens verenigd in liefde

Robert werd eind jaren zestig geboren, ergens in de navel van Limburg. Hij was de jongste van de drie. Twee zussen had hij. Zijn vader was ambtenaar, zijn moeder aanvankelijk huisvrouw, later verkoopster in een winkel. Zijn vader hield van discipline en was serieus, dominant (maar met een geringe invloed op de kinderen omdat ze alle drie naar hun moeder trokken), permanent overspannen en voornamelijk gefixeerd op zijn werk. Hij vond de prestaties en het imago van zijn kinderen het belangrijkste. Zijn moeder was lief, droomde van een bestaan met de zigeuners of met kunstenaars en wilde het vooral gezellig maken en houden.

Robert was een gevoelig jongetje, een moederskindje. Hij hield van zijn rode trapauto (waarmee hij zijn zussen achterna zat en op hun hielen reed), zijn fiets, voetballen, muziek en zingen. Met zijn oudere zussen had hij aanvankelijk weinig contact. Hij was eenkennig en trok alleen naar en op met zijn moeder. Hij verloor haar geen moment uit het oog, kon thuis geen moment zonder haar. Ze moest altijd in de buurt zijn, thuis zijn als hij thuis was en met haar mee als ze de deur uit ging.

Hij kon zich goed alleen vermaken met zijn speelgoedautootjes en soldaatjes. Op de lagere school had hij meestal wel een paar jongens – evenmin druktemakers – met wie hij omging. Robert was geen verteller en ook geen prater. Hij was liever bezig. Hij hield niet van praten en net zo min van het luisteren naar anderen, en al zeker niet als ze lange verhalen vertelden. Vermoeiend.

Bang aangelegd was hij. Bang voor Zwarte Piet, spoken, het donker, meisjes, honden (bang om gebeten te worden), drukke en sterke jongens, ziekenhuizen, begrafenissen, zwemmen (diep water, bang om te verdrinken), hoogtes (bang om te vallen), auto-ongelukken en voor de dood.

Behalve bang was hij empathisch. Robert had een groot, natuurlijk rechtvaardigheidsgevoel, net als zijn ouders, zussen en grootouders. Robert trok zich reeds als tiener het lot van de ontheemde indianen in Noord-Amerika aan, alsmede de milieuvervuiling en verwoesting van de natuur. Met economie, industrie, commercie en technologie heeft hij nooit wat gehad.

Robert voelde onbewust, dat hij veel meer verlegen en geremd was dan veel andere jongens. Met pijn in de buik keek hij toe hoe vrij, brutaal, druk en zelfverzekerd de meeste andere jongens waren, met vrijwel alles, in bijna alle situaties. Hij voelde dat hij met die jongens nooit kon wedijveren, dat hij aan de kant zou blijven staan en altijd naast het net zou vissen. Die jongens namen initiatieven, Robert wachtte af en hoopte dat wat en wie hij wenste vanzelf op zijn pad zou komen, hetgeen natuurlijk niet gebeurde. En als het gebeurde, dan was hij er bang voor en liep hij ervan weg… Zichzelf gefrustreerd achterlatend…

In een gematigd katholiek nest groeide hij op. Een tijdlang gingen zijn ouders met de kinderen iedere zondag naar de kerk, maar thuis werd nooit over het geloof gesproken. Een bijbel was er niet in huis. Veel verenigingen waren gelieerd aan de kerk, maar dat was dan ook alles. Het geloof kwam thuis vrijwel nooit ter sprake. Robert wist niet of zijn ouders echt in God geloofden. Waarschijnlijk niet, of althans niet met overtuiging en al zeker niet fanatiek. Hijzelf had er weinig mee, met religie.

Creatief was hij beslist. Op de lagere school las Robert met luide en duidelijke stem graag voor en hij voerde grappige, zelf-geschreven toneelstukjes op in de klas, soms met anderen die hij regisseerde.

Robert wilde heel graag zijn zoals de bekende zangers, grappenmakers en acteurs op televisie en het werk doen dat zij deden. Niet dat hij per se beroemd wilde worden, hij wilde gewoon zo’n soort werk doen. Zanger of voetballer kon hij vanwege gebrek aan talent helaas niet worden, maar wel journalist en dichter. Hij werd geïnspireerd door de sportjournalisten en grappige schrijvers op de beeldbuis en ontdekte op de middelbare school gaandeweg dat hij betere vragen kon stellen dan de echte journalisten en best leuk kon schrijven. Om zijn opstellen werd soms hard gelachen, zelfs door de docente Nederlands.

Robert was het liefst buiten aan het voetballen, fietsen en sporten, maar keek veel en graag televisie en dan met name naar ‘lieve’ series waarin de goede mensen altijd wonnen, zoals Het Kleine Huis dat door de EO werd uitgezonden. Spannende films met de stoere, rechtvaardige held die alles goed maakt, vond hij eveneens leuk, alsmede humoristische acteerprestaties. Robert hield van het pure, het fijngevoelige. Geweldig vond hij de serie ‘James Herriot’ die door de NCRV werd uitgezonden en handelde over een dierenarts-praktijk in Engeland: geestig, prettig, altijd met een goed einde, nostalgisch (zo jong als hij was, Robert hield van de jaren 20 tot en met 40) en met mooie, voor Robert zeer aantrekkelijke beelden van het Engelse platteland. Zo en daar wilde hij ook leven. Niet als dierenarts, want Robert had weinig met dieren en was bang voor ze, maar in die setting wilde hij werken en wonen. Hij wilde werk gaan doen dat leuk en nuttig was, nuttig voor de mensheid. Hij had immers een goed karakter, een goede inborst.

Tijdens zijn puberteit, op de middelbare school, kreeg Robert het moeilijk met zichzelf. Of iets eerder zelfs al. Robert – hij had het vaak snel warm en benauwd – was gevoelig voor kritiek, vooral op zijn uiterlijk. Ontevreden, zelfs ongelukkig was hij met zijn altijd rode en bij inspanning nog heviger blozende konen en met zijn bolle toet. Hij wilde net zo knap, mannelijk en aantrekkelijk zijn als de helden op televisie en als de jongens op wie zijn zussen vielen en over wie ze het steeds maar hadden (dat ze zo knap waren).

Als iemand hem een complimentje gaf, dan wantrouwde hij die schouderklop. Robert vond zichzelf helemaal niet leuk om te zien, althans niet leuk genoeg. Hij sloeg soms hard met zijn vuisten op zijn beide kaken om een smaller gezicht te krijgen en smeerde weleens crème op om een minder rode gelaatskleur te hebben. Op een dag schreef hij zelfs een brief aan God die hij postte bij de parochiekerk. In die brief vroeg hij God om een smaller gezicht en het einde van die rode wangen. Zijn geschreven smeekbede werd niet verhoord, de problemen werden alleen maar erger.

De CITO-toets had uitgewezen dat hij slechts naar het LBO (Lagere Beroeps Opleiding) kon. Een uitslag die Robert vernederend vond. Vrijwel iedereen in zijn klas had hoger gescoord, en zijn zussen konden redelijk goed studeren. Hij wilde op z’n minst niet voor hen onder doen. Zijn leraar in de zesde klas (nu groep 8) en de directeur van de lagere school waren gelukkig van mening dat Robert slim genoeg was voor de MAVO. Robert’s vader – zelf ambitieus en gericht op prestige en reputatie – deed al het mogelijke om Robert op een MAVO te krijgen. Dat lukte.

Op de middelbare school wilde Robert zich ten koste van alles bewijzen. Als een gek leerde hij om hoge punten te scoren. Zo werd hij een van de beste leerlingen van de klas, van de school zelfs. Maar Robert kreeg psychische problemen. Hij had last gekregen van hevige bloosangst. Iedere keer als hij de beurt of aandacht kreeg of wanneer hem iets werd gevraagd, werd hij vuur-heet en vuurrood in zijn gezicht. Dat haatte hij.

Dag en nacht was hij bezig met dit probleem. Zo kwam hij terecht in  een vicieuze cirkel van spanning-blozen-angst en balen-spanning en blozen en nog meer spanning. Robert sprak er hooguit met zijn moeder over, maar hoewel zij heel lief was, had ze nooit echt goede raad of oplossingen. Ze dacht een beetje simpel en wist zich geen raad met problemen.

Later kreeg Robert, rond zijn vijftiende, de eetstoornis anorexia nervosa (vermageringszucht). Juist tijdens de groeiperiode begon hij als een gek te lijnen. Thuis had niemand wat in de gaten en als iemand zich eens zorgen om hem maakte, dan reageerde hij geprikkeld dat er niets aan de hand was en zich niet met hem moesten bemoeien. Hoe dan ook, over zijn uiterlijk was hij obsessief ongelukkig. Gaandeweg werd Robert steeds prikkelbaarder en vermoeider. Op school en daarbuiten had hij soms jaren dat hij geen echte vriend had, niemand had om mee op te trekken. Existentiële eenzaamheid…

Toch was hij geen knurft. Robert zag er best goed uit en kleedde zich heel modern, onder invloed van met name zijn hippe, zeer sociale en levenslustige oudste zus.

Meisjes vond hij heel aantrekkelijk en interessant, alhoewel hij ook homoseksuele fantasieën had (hebben veel pubers trouwens), maar hij was te verlegen en te bang om echt contact met meisjes te maken, laat staan met heel mooie en spannende meisjes. Gaandeweg dacht of wist Robert dat hij zulke meisjes nooit zou kunnen krijgen en niets zou kunnen bieden. Ze trokken altijd naar de zelfverzekerde, brutale gasten, naar de grootste eikels…

Ondertussen wilde Robert thuis, vooral door zijn oudste zus, net zo geweldig gevonden worden als dat ze haar vriendjes geweldig vond. Hij keek tegen haar op, haar waardering betekende veel voor hem. Om haar goedkeuring weg te dragen, kleedde hij zich zoals zij dat tof vond en luisterde hij en prees hij de muziek die zij te gek vond. Robert had geen eigen mening. Hij praatte met alle winden mee, wilde door iedereen aardig gevonden worden en gaf weinig bloot van wat er in hem omging, en dat was heel veel, vooral heel veel aan romantische en erotische verlangens en aan persoonlijke shit zoals zijn onvrede over zijn uiterlijk (en over z’n innerlijk – die irritante remmingen, die verlegenheid, dat zoete…).

Thuis was het nooit pluis. Zijn ouders Johannes en Rosalia konden niet met elkaar door één deur, maar leefden wel achter dezelfde voordeur en sliepen en neukten soms achter dezelfde slaapkamerdeur. Robert en zijn zussen wisten niet beter of papa reageerde iedere dag wel een keer extreem boos en overspannen, vooral ’s avonds als zij in bed lagen.  Ze voelden dat hun ouders geen respect voor elkaar hadden, geen team vormden, niet met elkaar konden leven (wel zonder elkaar, maar dat probeerden ze gek genoeg nooit).

Vaak escaleerde de woede van zijn vader. Heel veel angst bij Robert en zijn zussen. Vaak een kloppend hart van bangheid. Drama’s. Gehuil, geschreeuw, gekrijs, haatvolle stiltes en de vrees dat moeder of henzelf wat zou overkomen…

Robert praatte er met niemand over, hooguit met zijn moeder. Maar zij toonde nooit daadkracht. Beloofde wel bij de ‘boosdoener’/donderwolk weg te gaan, maar deed het nooit.

Vanaf Robert een jaar of veertien was, probeerde hij zijn vader partij te bieden door te schreeuwen en hem soms te slaan. Robert probeerde zijn vader tot rede te brengen middels geweld. Het lukte nooit. De spanningen in huis werden er alleen maar groter en erger door. Natuurlijk zorgden hijzelf en zijn zussen ook voor problemen. Pubers zorgen nou eenmaal voor hectiek, conflicten en onvrede. Het werd er thuis nochtans allemaal niet beter op.

Robert ontwikkelde rond zijn achttiende zeer ernstige en hardnekkige psychosomatische klachten waaronder continue hevige duizeligheid. Ook was hij doodop. Toen hij afgestudeerd was van de HAVO was hij aan het einde van zijn Latijn, emotioneel, lichamelijk en mentaal. Bekaf was hij. Gelukkig stelde de HBO-studie journalistiek in Utrecht weinig voor en kon hij het rustig aan doen. In Utrecht raakte hij evenwel in een isolement. Bijna iedere dag bracht hij voor de helft door op zijn piepkleine kamertje bij een hospita in de Waalstraat, helemaal alleen. Zijn lichaam stond stijf van de spanning en onvrede…

Toen hij na vier jaar zonder enige noemenswaardige feedback en kritiek van de ‘docenten’ niet slaagde voor zijn examen brak er iets in Robert. Woedend was hij op de school, op God en de Duivel, op zijn ouders, op zijn beste vriend die alleen nog maar over zichzelf, zijn studie en zijn toekomstige inkomen kon ratelen en op zijn leven zonder liefde en seks, zonder plezier, zonder succes en zonder vriendin. En hij haatte de maatschappij die zo krankzinnig, mensonterend, dom en stom, ongelijk, zakelijk en harteloos is.

Op zijn 22ste kreeg Robert te maken met een enorme zenuwinzinking die gepaard ging met buitengewoon sterke paniek- en angstaanvallen (dagelijks meerdere malen), zeer ernstige en hevige straatvrees, geestelijke en lichamelijke uitputting en een zeer lage weerstand (altijd grieperig). Daardoor was hij een wrak geworden en kon hij alleen nog maar thuis wat lummelen.

Geen arts die hem voor die tijd had kunnen helpen. Robert zocht zijn heil vanaf zijn 18de tot en met zijn 23ste in spirituele en paranormale genezers en boeken. Hij gaf zich er helemaal aan over, alleen maar om te genezen en gelukkiger te worden, een wapen te krijgen/ontwikkelen om zijn demonen mee te kunnen verslaan. Dag en nacht was hij bezig met zelf-therapieën en het toepassen van alle adviezen van de alternatieve artsen. Totdat hij een zombie was, niet meer normaal kon denken en voelen en zelfs lopen… De totaal-inzinking was onvermijdbaar.

Twee jaar na de inzinking reageerde hij op een contactadvertentie in een huis-aan-huis-blaadje waarin een leuk 22-jarig meisje een leuke vriend zocht. Toen Robert de envelop opende met daarin haar brief en haar foto en hij even naar de foto keek, zei hij hardop tegen zichzelf: “Zij wordt mijn vrouw.” Het voelde wonderlijk en tegelijkertijd als heel vanzelfsprekend, alsof het zo al zijn/hun hele leven in de sterren had gestaan.

Anna werd anderhalf jaar na Robert en haar broer geboren. Haar moeder en de mama van Robert hadden tegelijkertijd in hetzelfde ziekenhuis gelegen toen ze hun zoon kregen. Maar ze hadden elkaar nooit gesproken. Robert’s vader kwam echter soms op het werk van Anna’s vader toen Robert en Anna nog heel klein waren. Beide vaders kenden elkaar ‘van zien’.

Anna was een heel leuke baby met heel veel zwarte haren op haar hoofdje en grote, donkere oogjes. De verpleegsters noemden haar ‘Beatle’, vanwege haar volle en relatief lange kapseltje.

Anna groeide op in een katholiek dorp dichtbij de stad waar Robert werd geboren en getogen. Haar Limburgse vader verzorgde de administratie op en voor een groot chemieconcern in een dorp verderop, haar Indonesische moeder was huisvrouw. Haar ouders hadden elkaar leren kennen via een pen-vriendschap (briefuitwisseling). Nog nooit hadden ze elkaar in het echt ontmoet toen ze besloten te trouwen op Java. Na de bruiloft ging Anna’s moeder – opgegroeid in een groot en arm gezin: het leven was hard – dus mee naar Nederland, voor haar tweede leven in een ander land.

Anna’s ouders hadden en hebben een goed huwelijk. Rustige, spaarzame en reislustige mensen, genietend van de vele reizen, eerst met de kinderen, later vooral met z’n tweetjes.

Net als Robert was Anna een goedlachs, rustig, bescheiden moederskindje. Tot ongeveer haar zevende jaar speelde Anna veel en graag met de jongens in de buurt en op school. Anna zag er meisjesachtig uit, maar hield meer van jongens-dingen dan van poppen, opmaken, jurken en prinsessen (die meisjes-dingen haatte ze!). Anna was een vrolijk kind dat een paar leuke vriendjes had om mee te spelen. Met haar anderhalf jaar oudere broer kon ze het eveneens goed vinden.

Maar toen Anna acht was, wilden de jongens niet meer met haar en andere meisjes spelen. Anna vond geen aansluiting bij de meisjes in haar omgeving en vereenzaamde. Vaak stond ze tijdens de pauzes moederziel alleen op het schoolplein en zelfs de surveillerende leraren keken dan niet naar haar om. Alles en iedereen ging letterlijk en figuurlijk aan haar voorbij. Diep ongelukkig voelde ze zich daar bij. Gelukkig had ze een goede band met haar moeder en speelde haar vader veel met haar (en haar broer), met name in het weekeinde.

Anna’s broer was veel meer een prater. Hij had altijd wel wat te vertellen en maakte alles wat hij had meegemaakt spannender dan dat het was. Moeiteloos trok hij de aandacht naar zich toe. Anna voelde dat ze niet zo was, niet zo vrij, niet zo spraakzaam, niet zo spontaan. Ook niet zo brutaal en vrijpostig als de meeste andere jongens en meisjes in haar klas. Ze zal het gevoel hebben gehad dat ze op slot zat, anders was dan de meeste anderen. Existentiële eenzaamheid. Een gevoel van afkeuring, door anderen en mogelijkerwijs tevens door zichzelf.

Anna vond het vreselijk dat op elk rapport de opmerking van de leerkracht stond dat ze te gesloten was. Dat benadrukte maar weer, dat ze volgens anderen niet spontaan genoeg was, niet goed genoeg was, zichzelf niet kon/mocht zijn en dat ze inderdaad weinig aansluiting vond bij de anderen die overigens vaak niet zo slim en gevoelig waren en bij wie ze zich helemaal niet zo thuis voelde.

Onschuldig kattenkwaad uithalen, bleef Anna trekken. Met haar broer kon ze wat dat betreft haar hart ophalen. Verder leek het haar ideaal om net als haar moeder lekker huisvrouw te worden, in de eigen, beschermde omgeving, niet hoeven te presteren voor de buitenwereld. Hoewel zeer schrander had ze behoorlijk last van proefwerk-stress en later van examenvrees.

Ook op de middelbare school had Anna geen hartsvriendin. Wel ging ze met bepaalde meisjes om, evenals met haar broer en zijn vrienden en vriendin. Ze merkte dat de jongens niet snel op haar vielen, maar wel op de aandacht trekkende make up-babes met blonde haren en een soepele sociale manier van doen. Op een dag werd Anna’s vertrouwen geschonden toen ze aan een groepje meisjes opbiechtte dat ze een bepaalde jongen – van Spaanse ouders – erg leuk vond en een van die meisjes aan wie ze dat had verteld even later verkering aan hem vroeg en met hem kreeg. Zoiets hakt erin.

Anna hield van (wedstrijd)zwemmen, rock ’n roll (dansen), spannende (actie)films en jeugdseries kijken en van de korte en heel verre reizen die ze maakte met het gezin. Net als haar vader kon ze goed tekenen.

Probleemloos slaagde ze voor haar VWO-examen, maar eigenlijk had ze geen flauw idee welke vervolgstudie ze wilde – of beter geschreven MOEST – gaan doen. Toekomstplannen had ze op dat vlak helemaal niet. Ze wilde nog steeds het liefste huisvrouw worden en dacht trouwens dat ze een zware opleiding helemaal niet aankon. Het studentenleven trok haar helemaal niet. Lange tijd dacht Anna dat het voor haar niet was weggelegd om te trouwen, een baan te hebben en alle financiële zaken te regelen.

Het werd de Kunstacademie. Op zich best een leuke tijd en opleiding, maar het bood weinig perspectief en de begeleiding naar het echte leven als professioneel kunstenaar was mager op die opleiding. In het vierde jaar kapte Anna met school. Als kunstenaar zag ze helemaal geen toekomstperspectief.

Vanwege haar liefde voor het reizen besloot ze een schriftelijke cursus ‘toerisme’ te gaan doen waarvoor ze slaagde. Ondertussen had ze al een contactadvertentie geplaatst in een huis-aan-huis-blad. Haar broer had al heel wat jaren een relatie en  ook een aantal vrienden/kennissen had verkering. Zij wilde natuurlijk evengoed iemand om het leven mee te delen.

Robert schreef. Zijn brief (reactie op de contactadvertentie) viel op door het meest verzorgde handschrift en taalgebruik van alle brieven en door de foto. Anna en haar moeder concludeerden op basis van de prent dat die Robert er niet slecht uitzag.

Na zowat een half jaar bellen en schrijven – Robert was door zijn toestand nog niet in staat om haar te ontmoeten, hij was nog steeds een wrak – spraken ze voor het eerst af in een kroeg in de stad. Robert moest zich er met zijn angst- en stress-stoornis en uitputting echt naartoe slepen en doorheen sleuren, maar het eerste gesprek smaakte naar meer. Ze voelden zich snel op hun gemak bij elkaar.

Na een paar afspraakjes de eerste kus, in de auto van Anna’s vader die zij bestuurde (Robert had zijn rijbewijs nog niet, nam nog geen rijlessen vanwege zijn kwalen).

De begintijd van hun relatie was leuk, maar door Robert’s toestand helaas erg moeilijk. Ze konden nooit eens ergens heen, omdat Robert daartoe niet in staat was en haar ouders maakten zich druk om haar toekomst met een (zogenaamd?) zieke jongen zonder baan en zonder geld. Zelf zal Anna ook wel getwijfeld hebben of ze met Robert wel gelukkig kon worden en een toekomst kon opbouwen.

Al snel ontstonden er spanningen tussen Anna en Robert. Op een avond kregen ze daardoor hevige ruzie en maakten ze het uit. Maar ze lieten elkaar niet los. Het was de eerste hindernis die ze samen namen. Uiteindelijk kwam het weer goed en werd het ieder jaar beter.

Anna en Robert kregen een dochter en een zoon. Ze wonen nu precies twintig jaar samen, zijn 19 jaar met elkaar getrouwd. Anna is office manager bij een verzekeringskantoor/bank en regelt ook thuis alle financiële en administratieve rompslomp, Robert is na een carrière als freelance journalist (sport, entertainment, reizen) huisman moeten worden, omdat hij de reis-stress en werkstress niet meer aankon vanwege zijn pleinvrees, uitputting en andere stress-gerelateerde kwalen.

Makkelijk hebben Anna en Robert het niet – nooit gehad, maar ze hebben toch een harmonieus huwelijk, een heel hechte relatie. Samen slaan ze zich er zo goed mogelijk doorheen en hebben ze al heel wat stormen getrotseerd en al heel veel samen gedeeld en genoten…

http://www.bloggers.nl/rolanddanckaert

 

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s