Bril

Bij de ogentest gooide onze zoon (16) niet al te hoge ogen. Hij moet aan de bril. Het worden trouwens lenzen. Eerst krijgt hij ze op proef en als het indoen, uitdoen, schoonmaken en dragen bevalt, dan krijgt hij definitief (maand)lenzen oftewel een abonnement op lenzen, een beetje zoals een vast abonnement op een maandblad.

Zoonlief wilde dus geen bril. Want een bril staat hem niet, beweert hij. “Papa draagt toch ook een bril?” zei z’n mama, mijn vrouw. “Ja, maar papa staat het, bij mij niet.”

Hij is ijdel, net als z’n zus en ikzelf. Mensen met een mooi uiterlijk zijn vaak veel ijdeler dan lelijke mensen. Hoe mooier, hoe ijdeler, vaak. Mooie mensen krijgen van jongs af aan vreugdevolle en trotse complimentjes over hun mooie en aantrekkelijke voorkomen, waardoor ze een reputatie hoog te houden hebben en zich nog meer bewust worden van hun schoonheid en de bewondering die deze schoonheid afdwingt bij anderen, respect zelfs. Hun schoonheid heeft dus een grote  impact op ze, zeker als de omgeving veel waarde hecht aan verzorging en de kwaliteit van het uiterlijk.

Het  is een bepalend moment, een grote verandering, als je een bril (of lenzen) moet. Het is ingrijpender dan we ons bewust zijn. Je leven verandert. Als je een bril kiest, dan verandert je uiterlijk en ben je voortaan een man of vrouw die een bril draagt (en zo zien anderen je ook) en wanneer je lenzen kiest, dan heb je iedere dag dat gehannes met in- en uitdoen en schoonmaken. Er zit dan toch iets permanent op je oogbol.

Ik weet nog goed dat ik niet kon ontkomen aan het dragen van een bril. Geheel volgens de aard van mijn leven werd een zomervakantie in Spanje totaal vergald door helse hoofdpijnen die zelfs met pijnstillers en met nekmassages door een leeftijdsgenoot die volgens zijn ouders goed kon masseren niet was te onderdrukken. Bij terugkomst in Nederland natuurlijk meteen naar de huisarts. Hij dacht stante pede aan de noodzaak van een bril, iets waaraan ik vreemd genoeg helemaal niet had gedacht, en mijn ouders en zussen evenmin. Ik had niet in de gaten dat ik minder zag. Zoonlief heeft gelukkig geen hoofdpijn gehad. Hij kwam er toevallig achter, tijdens een mini-vakantie in Puglia, dat hij met name opschriften van wat grotere afstand niet kon lezen, en wij wel.

Ik verwenste God maar weer eens. Een bril, ik vond het vreselijk! Ik wist dat ik best knap was, en toch vond ik mezelf altijd lelijk of niet mooi genoeg. Ik baalde van die lelijke, ontsierende permanent rode wangen. Zo niet cool en mooi! Een bril zou mijn uiterlijk helemaal verpesten.

Met mijn moeder ging ik een brillenzaak binnen. Achteraf gezien een veel te oubollig winkeltje met een veel te oubollige verkoper/eigenaar en veel te oubollige monturen. De ondernemer liet me de lelijkste modellen zien die hij mooi vond en goed bij me vond staan. Ik wilde er snel vanaf zijn, zoals altijd met winkelen. Ik wilde dat het passen en kiezen van een bril zo snel mogelijk voorbij was. Toch had ik in eerste instantie, toen we we de bril hadden gekozen, een opgelucht gevoel. De verkoper en mijn moeder zeiden dat ik een leuke bril had uitgekozen die me goed stond. Maar dat was in de zaak. Eenmaal buiten, wilde ik hem niet opzetten. Ik deed het wel, omdat ik er toch aan zou moeten geloven, maar voelde me heel ongelukkig en heel lelijk. Nog een ontsierend uiterlijk kenmerk erbij!

Ik zie nog de teleurgestelde en medelijdende blikken van mijn twee oudere zussen toen ik mezelf voor het eerst met bril aan hen liet zien. Ze zeiden dat het me goed stond, maar hun ogen vertelden de waarheid: ze vonden het geen gezicht. Het was een lelijk, te groot, te oubollig montuur dat ik heel erg op mijn wangen voelde rusten en op mijn oren voelde hangen. Overbewust was ik me van dat ding.

De eerste keer op school met dat ding was een afgang. Niemand deed er stom over, maar ik was er zelf zo ongelukkig mee! De eerste keer uit, was nog erger. In de kroeg kreeg ik het altijd heel erg warm en benauwd en werden mijn wangen nog roder: blozende, tomaten-rode konen én een bril… Ik dacht dat iedereen me lelijk vond, mislukt, ontsiert.

Ik kan me herinneren dat ik een ex van me, Angela, tegenkwam. Ze zag me voor het eerst met bril. “Staat je goed,” zei ze. Maar ik vond mezelf lelijk, en wie zichzelf lelijk vindt, is voor anderen heel erg onaantrekkelijk. Ik deed mijn bril af en alsof ik het montuur in de hoek van de disco wilde gooien, terwijl ik er een vies gezicht bij trok, om maar aan te geven hoe zeer ik dat ding haatte. Nog erger dan Feyenoord. Ze vond het niet grappig.

Angela en ik dansten trouwens op het veel te langdradige nummer ‘Paradise By The Dashboard Light’. Om dat lied uit te kunnen dansen, moet je over een topconditie beschikken. Die had ik alleen met een bal aan mijn voeten. Met bal aan mijn voeten kon ik urenlang doorgaan (dansen met een bal aan je voeten, staat zo raar, zeker in een volle disco), zonder bal hield ik het nog geen rondje om het veld vol. We hadden tijdens onze door mijn onervarenheid en verlegenheid zeer stroeve verkering nooit samen gedanst en ook nooit veel tegen elkaar gezegd, of veel gezoend (het bleef allemaal heel beschaafd en voorzichtig). En nu, bij het weerzien in de disco, hadden we elkaar weer niet veel te vertellen. Misschien was er  van nature onvoldoende chemie tussen ons, misschien zat ik in haar nabijheid ook wel op slot, mogelijk keek ik tegen haar op of voelde ik me te min voor haar, te onzeker en te onhandig met meisjes. Na dat nummer zeiden we elkaar gedag en dat was het dan. Door die bril voelde ik me nog onzekerder, en minder vrij, werd ik door dat gebrek aan zelfvertrouwen en zelf-liefde nog stroever in het contact met meisjes.

Niet veel later kwam ik een andere ex tegen, Yoska. Een ex-carnavals-scharrel. Ik zag dat ze me zag (en ik zag haar natuurlijk ook), maar met die bril op mijn kop schaamde ik me zo dat ik deed alsof ik haar niet zag. De hele avond niet. Kutbril! Niet dat ik zonder bril spontaan had gereageerd, maar door die bril maakte ik mezelf wijs dat ze me stom zou vinden en dat mijn uiterlijk haar zou tegenvallen. Tijdens onze zalige carnaval droeg ik een masker en geen bril. Toen was ik vrij(erig).

Om maar aan te geven hoe erg die bril me dwars heeft gezeten. Overigens, nu lijkt het alsof ik heel veel exen heb gehad, maar Angela en Yoska waren heel lange tijd de enige twee, en het waren door mijn onnozelheid relaties van niks. Ze waren allebei heel erg leuk, maar ik deed niet leuk. Ik was bij meisjes die ik leuk vond of die mij leuk vonden niet mijn grappige zelf zoals bij mijn vrienden.

Over nog twee meisjes zal ik een uitstap-anekdote maken. Yvonne was ook een carnavals-scharrel van welgeteld twee uurtjes. Ze zei op een bonte avond steeds dat ze de vorm van mijn tapir-neus zo mooi vond, een Grieks model volgens haar. Met carnaval profiteerde ik van de vrijpostigheid en het dronkenschap van een ieder en durfde ik veel meer met meisjes. Dus ik stond al snel met haar te zoenen. Totdat ze vertelde dat ze herdershonden had en tegelijkertijd een shagje ging draaien. Voor honden was ik bang en en zeker voor herdershonden. Ik ben ooit aangevallen door de agressieve herder van mijn vriendje Peter, en ik was toen al doodsbang voor honden – het was dus een traumatische ervaring met de les dat je angst dus gegrond is. En sigaretten vond ik smerig, net als meisjes die tabak rolden. Ik nam dus snel de benen en maakte me uit de voeten. Ik heb die Yvonne misschien nog heel vaak gezien, maar ik kon me niet herinneren hoe ze eruit zag. Ik had alleen maar naar haar mond gekeken. Ik was dol op tongen. Zodra ik kon, zoende ik haar.

In Spanje was er een Spaans meisje dat ik heel leuk, mooi, lief en sexy vond. Jonien heette ze. Met haar familie was ze op vakantie in hetzelfde vakantiepark/bungalowpark als wij. Het bleef bij groeten. Weer die verdomde verlegenheid van me. Haar moeder had ik haar naam horen noemen, zodoende wist ik hoe ze heette. Terug in Nederland schreef ik haar op zolder aan het bureau van mijn vader een brief, in het diepste geheim (ik vertelde nooit iemand iets over mijn zielenroerselen), en met behulp van een Spaans woordenboek van mijn oudste zus – ik sprak geen woord Spaans.

Als ik schreef ‘ik was verliefd’, dan zocht ik in het woordenboek naar het Spaanse woord voor was. Dat moet een heel rare brief zijn geweest. Yo ropia en amor. De brief kwam retour. Mijn vader was des duivels en schreeuwde dat ik zoiets nooit meer moest doen. Ik weet nog steeds niet waarom hij zo boos was. Hadden de ouders van Jonien geklaagd? Had ik per ongeluk, door mijn allerslechtste Spaans, beledigende dingen in die brief gezet? Ik weet wel nog dat Jonien drie vakanties later eens iets kwam afgeven in ons vakantiehuisje. Ze was nog steeds heerlijk. Maar ik verstopte me achter een schilderij, schaamde me nog steeds voor die brief. En voor mezelf.

Terug naar de bril. Na een paar maanden droeg ik dat onding alleen nog maar thuis, niet meer op school en al zeker niet in de disco of tijdens ander uitgaan. Ik wilde niet meer gezien worden met bril, en al helemaal niet door leuke meisjes. Ik wilde bewonderd worden om mijn uiterlijk, niet uitgelachen! Doordat mijn beide zussen – naar wie ik onbewust heel erg opkeek – het altijd maar hadden over knappe jongens hier en knappe jongens daar, vond ik knap zijn heel belangrijk. Voor hen vielen jongens met bril bij voorbaat af. Een bril was voor watjes en lelijkerds. Een bril was duf en lelijk. Daarom heb ik twee keer in mijn leven een meisje die verkering met me wou afgewimpeld. Omdat ze een bril droeg. De een was echt heel erg lief en leuk en de ander had de mooiste benen die ik ooit heb gezien. Maar ik wilde niet bij mijn vrienden komen aanzetten met een vriendin met bril.

Als ik dit allemaal zo opschrijf, besef ik pas hoe onnozel en moeilijk je als jongeling kan denken en doen. Blij dat ik ouder ben.

Pas sinds drie jaar draag ik mijn bril permanent. Ik ging steeds slechter zien en werd steeds minder ijdel. Steeds zelfverzekerder. Oké, liever werd ik niet steeds grijzer en dunner in de haren en droeg ik geen bril, maar ik maak me er niet meer druk om. Andere dingen zijn veel belangrijker. Ik verspil er geen negatieve energie meer aan, aan dat uiterlijk van me.

Doordat ik mijn bril eindelijk heb geaccepteerd, vind ik mijn vrouw nu minstens zo leuk als ze ’s avonds haar lenzen uit heeft en haar brilletje draagt en kan ik ook gecharmeerd zijn van andere meisjes en vrouwen met bril. De uitstraling en de inborst, die tellen. En ik geef toe: iemand in heel ouderwetse, mottige kleren kan ik niet aantrekkelijk vinden. Ik hou nou eenmaal van schoonheid, al is het maar doordat iemand zich stijlvol kleedt, of gewoon lekker sportief.

Er was duidelijk een leven voor de bril en er zijn twee levens sinds de bril: een hels leven en een hemels leven.

Hoe dan ook heeft die bril veel meer impact dan we denken…

http://www.rolanddanckaert.bloggertje.nl

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s