In potje plassen

Al langer dan anderhalve maand had ik een branderig gevoel bij het plassen en na het urineren het gevoel alsof ik meteen weer moest (terwijl er dan niets of niet veel uit kwam). Daarom besloot ik gisteren om dan toch maar eens een afspraak te maken bij de huisarts, alhoewel ik hem zoveel mogelijk tracht te vermijden, omdat ik het lullig vind voor mezelf en voor hem, dat hij niets kan uitrichten met mijn psychosomatische tragedie en daar ook niet veel woorden aan vuil maakt en niet veel belangstelling voor heeft. Ik voel me altijd een lulletje rozenwater als ik bij hem ben. Een mengelmoes van schaamte, schuld, onmacht en onbegrip.

Mijn dokter noemt mij steeds heel gevoelig en alle niet te verhelpen, niet puur-lichamelijke klachten horen wat hem betreft bij die gevoeligheid en dus bij mij. Ik geloof niet dat hij beseft hoe erg en lang ik al afzie. Ik neem het de beste witte jas niet kwalijk, dat hij niets aan mijn kwalen kan doen, maar het zou wel fijn zijn als hij er niet zo bagatelliserend over deed. Maar lichaamsmonteurs doen dat al snel. Ze zijn gespecialiseerd in lichamelijke ongemakken en ziekten en daar spitsen ze zich op.

Enfin, plasproblemen zijn in elk geval niet psychisch. Ik kwam dus niet als een lulletje lampenkatoen bij hem.

We hadden nog een ongebruikt en leeg plastic potje van de dokter in het keukenkastje staan. Daar diende ik vanochtend dus mijn urine in te lozen, in die mini-container, in dat mobiele, handzame wc-tje.

Plassen in zo’n potje, is geen abc-tje. Ik moest erg nodig en er kwam meteen heel erg hard heel veel urine uit mijn ochtenderectie. Het potje stroomde zodoende heel snel vol en – nog voor ik mijn hand met het warm geworden potje kon wegtrekken – over. Hand onder de zeik, potje nat.

Ik ken trouwens een man die bij het klaarkomen in de kont van zijn vriend zoveel sperma spuit dat het witte ‘kindermaakgoedje’ er van achteren ook weer uit stroomt. Maar dit niet terzijde. Dat stel loopt over van het sperma.

Ik waste mijn handen en het potje onder de kraan (af) en dacht aan de doktersassistente die dat pispotje met haar blote handen zou aannemen zonder te weten dat de buitenkant van het geval net zo overgoten was geweest met mijn pis als de binnenkant.

Ik schudde het potje met inhoud, hield het tegen het licht en zag allemaal witte slierten. Ochtendsperma van de ochtenderectie? Of sporen die duiden op prostaat- of blaaskanker? Of toch gewoon de bewijzen van het legertje bacteriën dat mijn blaas heeft aangevallen? Wat heeft mijn blaas die bacteriën eigenlijk misdaan? Het zijn gewoon slechteriken, die bacteriën, constant op oorlogspad!

Goed en kwaad zitten dus zelfs in een blaas! Ons lichaam moet de hele tijd VN-legers mobiliseren om de nazi-bacteriën tegen te houden… Zo zit de natuur in elkaar en niet anders! Zo is het leven en geen geschenk van God! Het leven is gewoon een strijd tussen tegenstellingen die vijanden van elkaar zijn maar die niet zonder elkaar kunnen, zonder elkaar geen bestaansrecht en zelfs geen doel of missie hebben. Je moet immers wel een vijand hebben om op missie te kunnen gaan!

Ik zette het potje naast mijn ontbijtbord. Na een tijdje kauwen op mijn tosti en tijdens het doorbladeren van de krant was ik zo afgeleid dat ik een slok nam. Ik dacht van mijn thee, maar ik had van mijn ochtendurine gedronken! Zoals ik tijdens het schilderen een keer uit een glas met water heb gedronken waarin ik de verfkwasten doopte…

In de wachtkamer van de huisarts – de assistente haalde mijn urine door de diagnosemachine – dacht ik na over hoe ik zou reageren als ik kanker zou hebben, en ik dacht vooral aan de reacties van mijn kinderen, vrouw en moeder. Ik stortte ter plekke bijna in. Alleen al de gedachte aan kanker werd me haast teveel. Dat kan ik er echt niet bij hebben. Maar ja, een zus van presentator Andries Knevel ging ook snel dood nadat ze pas een zeer hardnekkige fobie had overwonnen. Het leven spaart niemand, ook niet iemand die al genoeg ellende heeft (gehad) en die zojuist iets heel zwaars heeft overwonnen. Helemaal geen kracht naar kruis! Onzin!

Welnu, het bleek vooralsnog om een gewone blaasontsteking te gaan, mijn zoveelste. Het gevolg van mijn zwakke weerstand die na de Grote Klap – zo’n 27 jaar terug – nooit meer tot de hoogste rang is bevorderd. In het begin na de Grote Klap was ik nog veel vaker en langer veel zieker, maar mijn immuunsysteem is nooit helemaal de oude geworden. Als kind en puber was ik haast nooit ziek. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit met griep op bed had gelegen, school had moeten missen vanwege ziekte.

Ik zou een keer, toen ik een jaar of dertien was, nierstenen hebben gehad, maar ik vraag me nog steeds af hoe de toenmalige huisarts dat toen zonder bloed- of urine-onderzoek heeft kunnen constateren. Ik had buikpijn in de zij, hij drukte wat op de buik en wist blijkbaar dat ik nierstenen had. Het zal wel, want na de medicijnen tegen nierstenen heb ik nooit meer last van zulke buikpijn gehad.

Nu heb ik dus weer een antibioticakuur gekregen met allemaal bijwerkingen waar ik al last van heb: een vreemde smaak in de mond, jeuk, duizeligheid, buikklachten… Maar ja, zo’n kuur bestaat uit soldaatjes die tegen het leger van de bacteriën vechten en vechten gaat nooit gepaard zonder slag of stoot. Gevechten hebben altijd vervelende ‘bijwerkingen’. Ook de goede bacteriën gaan eraan, net zoals bij chemo tevens de gezonde cellen een kopje kleiner worden gemaakt.

Oorlog zit dus zelfs in ons lijf en de medicijnen zijn de geallieerden, de hulptroepen die mede onder de bondgenoten slachtoffers maken.

Het leven is kut.

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s