Ze woont samen met een alcoholist/nachtbraker

Iedere avond als ze gaat slapen en hij weer op café is, vreest ze dat ze een telefoontje krijgt van de politie of het ziekenhuis. Hij is immers al eens door een glazen pui gevallen in een stomdronken bui. Drie weken hospitaal. Hij beloofde toen nooit meer te zullen zuipen, maar de dag dat hij uit het ziekenhuis werd ontslagen, toog hij meteen naar de toog van zijn favoriete kroeg.

Sylvia weet één ding zeker: dat haar man Erik zoals gewoonlijk ladderzat thuis zal komen, midden in de nacht of als de kerkklok vijf of zes keer slaat. Maar ze weet niet hoe erg bezopen hij zal zijn. Zal hij, zoals zo vaak gebeurd is, alles onder kotsen in huis, dingen omstoten, op de trap in slaap vallen, letterlijk tegen de lamp lopen, in bed liggen te janken of moord en brand schreeuwen?

Erik is ook al diverse malen voor de voordeur in slaap gevallen, omdat hij de sleutel niet meer in het slot kreeg. Daarom laat Sylvia de garagepoort wagenwijd open staan, zodat hij daar op het speciaal voor hem gekochte en neergelegde luchtbed en onder de dekens kan slapen als zij hem niet mocht horen morrelen aan het slot van de voordeur. Sylvia heeft ook al eens de voordeur op een kier laten staan ’s nachts, zodat Erik naar binnen kon komen zonder eerst ruzie te moeten maken met het slot en zijn sleutels (die hij trouwens al vele malen kwijt is geraakt en moest laten bijmaken). Edoch, nadat er spullen uit het huis zijn gehaald door nachtelijke ‘inbrekers’ doet ze dat maar niet meer.

De route die hij neemt van de voordeur naar hun bed heeft ze al lang geleden zo vrij mogelijk gemaakt en ontdaan van spullen die kunnen breken, die scherp en dus gevaarlijk zijn voor een dronkenman of die omgestoten kunnen worden.

Gelukkig heeft Erik geen kwade dronk. Hij valt niemand lastig, zelfs haar niet. Hij wordt niet agressief en niet (gewelddadig) geil. Heeft hij een paar flessen teveel op, dan is hij gewoon lazarus. Alsof dat niet genoeg ellende is. Vooral voor Sylvia. Want zij kan nooit meer met een gerust hart gaan slapen, zij slaapt nooit meer ontspannen een nachtje door, zij ligt vaak urenlang te wachten én te vrezen voor zijn komst en zij heeft last van nachtelijke angstaanvallen en van nachtmerries waarin Erik een gruwelijke dood sterft.

Iedere nacht wordt ze wakker en ligt ze lang wakker, en als hij dan nog niet thuis is – wat negen van de tien keer het geval is – dan hoort ze wel een miljoen keer de telefoon overgaan en een politieman of arts tegen haar zeggen dat Erik zwaargewond of zelfs dood is. Letterlijk en figuurlijk met ingehouden adem en kloppend, overslaand hart ligt ze in haar bed af te zien, met gespitste oren (hoort ze hem al aankomen?) en een schuin oog naar de klok.

Ach, Erik heeft al zoveel meetings met de AA achter de rug en heeft al zoveel therapeuten gezien. Hij doet pogingen om te stoppen met hijsen en heisa maken, maar de wil om te drinken is veel sterker dan zijn motivatie om te kappen met het aan zijn mond zetten van de flessen wodka. Of eigenlijk mag je niet schrijven van ‘wil’, want Erik is ziek. Alcoholisme is een verslavingsziekte. De alcohol neemt voor zijn onbewuste gevoel al zijn aandacht voor zijn diep weggestoken pijn weg en hij heeft dan ook alleen maar aandacht voor het promillage. Eigenlijk lijdt hij aan verzamelwoede. Hij slaat zoveel mogelijk alcohol op in dat uitpuilende lijf en in die vergrote lever van hem: hij is een alcoholische hoarder.

Ja, Sylvia heeft hem al duizenden keren proberen te verlaten, omdat de pislucht van de hellesteegjes in haar binnenste en in haar huis niet te harden is. Twee keer is ze bij haar broer ingetrokken. De eerste keer voor een halve week, de tweede maal voor twee dagen. Ondanks de hel thuis kreeg ze iedere keer weer heimwee naar haar eigen bed en huis en speciaal naar hem. Ze vindt Erik nog altijd een lieverd. Als hij nuchter is – zo rond twee uur ’s middags als hij wakker wordt – dan is hij de liefste man van de wereld, zelfs met een kater waarvan hij overigens gek genoeg niet zo vaak last heeft.

Erik heeft er moeite mee dat hij arbeidsongeschikt is geraakt na een val van een steiger. Sindsdien verzuipt hij z’n hele WAO en moet Sylvia – sinds een half jaar ontslagen – haar hele WW spenderen aan de vaste lasten, benzine en boodschappen. Geld voor haarzelf houdt ze nooit over. Soms denkt ze weleens dat ze minstens zo zwak is als Erik door bij hem te blijven, maar dan voelt ze dat zij niet zwak is, maar dat haar liefde voor hem oppermachtig is, evenals haar loyaliteit. Ze heeft een zwak voor hem, dat is wat anders. En ze heeft ruggengraat, ze is niet het type dat bij tegenslagen opgeeft. Je hebt van die mensen die niet meer op bezoek gaan als iemand terminaal is, omdat ze zeggen en menen dat ze het niet meer aan kunnen. Dat vindt Sylvia de slechtste smoes die er is: vergeleken met wat een terminale patiënt moet doorstaan, is een uurtje op bezoek gaan bij een doodziek mens kattenpis. Ja, confronterend en emotioneel belastend, maar heb je dat er dan niet voor over? Nou, dan zegt dat alles over hoe sterk – eigenlijk hoe zwak – je liefde, onbaatzuchtige opofferingsgezindheid en loyaliteit zijn!

Ja, er zit beslist een pak medelijden bij, bij Sylvia’s loyaliteit aan Erik. Wie zorgt er voor hem als zij hem de rug toekeert? Dan heeft hij niemand. Zelfs hun hond Kees kijkt niet naar hem om. Kees is eenkennig en wil alleen maar spelen met en aangehaald worden door Sylvia.

Ze weet dat Erik nog altijd zielsveel van haar houdt en dat hij zich schuldig voelt dat hij haar dit allemaal aandoet. Hij is verslaafd aan de drank, zij aan hem.

Gelovig is ze niet, maar steeds vaker zoekt Sylvia haar toevlucht tot God, uit pure wanhoop. Niet geloven en toch bidden uit onmacht en vanwege de angst… het illustreert de radeloosheid en hulpeloosheid. Ook heeft Sylvia het laatste half jaar diverse paranormaal begaafde mediums bezocht. Soms moest ze een voorwerp meenemen – zoals een horloge van Erik – en andere keren een foto van hem. Dan behandelden de mediums hem op afstand. Het haalde nooit wat uit. Volgens het ene medium was Erik in zijn vorige leven slaaf, volgens het andere medium lijdt hij nog steeds aan existentiële onzekerheid vanwege gebeurtenissen in zijn jeugd. Iets met z’n vader. Maar wat precies?

Sylvia is niet te benijden. Haar vader was een nog zwaardere alcoholist. Haar zeer gelovige moeder heeft heel veel rozenkransen gebeden en bedevaarten gelopen om God te smeken haar man – die wél een kwade dronk had en die weleens met een groot keukenmes aan haar bed heeft gestaan en haar dreigde te vermoorden, midden in de nacht – te doen stoppen met drinken, maar God gaf haar niet waarom ze vroeg.

Haar vingertoppen en schoenzolen heeft ze stuk gebeden – Sylvia’s mama, maar haar man bleef zich maar aan één stuk door een stuk in zijn kraag drinken, totdat hij op een nacht in een beek is gevallen en verdronk.

Sylvia en haar moeder ervaren sindsdien een mengelmoes van opluchting (emotionele rust: nooit meer een stomdronken vader/echtgenoot), schuldgevoel (vanwege die opluchting) en diepe rouw (vanwege het gemis).

Het leven is mooi als het niet lelijk is. Maar het is zo vaak spuuglelijk… De mooie momentjes en kantjes als het leven zo lelijk is, zijn slechts troostkruimels.

Het bestaan is makkelijk als je het niet moeilijk hebt.

Edoch, zoveel mensen hebben het zo verschrikkelijk zwaar. Velen hebben de kracht om dat loodzware kruis te dragen, maar een heel leven lang met een loodzwaar kruis rond sjouwen, is dat wel een leven?

Maar ja, voor de meeste wezens en planten en bomen is leven vooral een kwestie van overleven. En nu het klimaat ook nog eens door menselijk toedoen alarmerend opwarmt, steeds vaker voor noodweer en voor onbeheersbare en onbetaalbare schades zorgt, mogen we concluderen dat de mens de strijd tegen de natuur en tegen haar eigen domheid gaat verliezen. Misschien is dat voor de mensheid een vloek, maar voor Moeder Aarde een zegen. De mensheid is zelfmoord aan het plegen. Als je steelt van de man die jou betaalt, dan ga je er vroeg of laat aan. Als je rooft van de vrouw die jou voedt, dan geeft ze je vroeg of laat niets meer, behalve een flinke mep.

Zo, ik ga ermee kappen, met dit verhaal. Even opfrissen, tanden poetsen en mijn trouwring omdoen, zodat al die vrouwen die zich op straat de godganse dag aan mijn voeten werpen en smeken of ik met ze naar bed wil, zien dat ik al bezet ben en dat de smeekbedes vergeefse moeite zijn.

Binnenin mijn trouwring staat gegraveerd ‘Ajax 18 maart 1900’. Ik ben immers gehuwd met de Griekse oorlogsheld. Rinus Michels had gelijk: voetbal is oorlog. Eigenlijk is het hele leven oorlog. Er zijn vele varianten van oorlog. Je hebt de militaire oorlogen, politieke oorlogen, de moordende concurrentiestrijd op de zogenaamd vrije markt en de privé-oorlogjes van alle mensen en dieren die worstelen met het bestaan en vechten tegen stoornissen, ziekten, de gevolgen van rampen en ongelukken, diverse bedreigingen, honger, dorst, tekorten/schaarste en de dood…

Minder realistisch kan ik het helaas niet maken. Ook niet optimistischer.

http://www.rolanddanckaert.nl

 

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s