Het leven van een bejaarde vrouw

Ze is oud geworden zonder ooit een fijne liefdesrelatie te hebben gehad. Ze zal sterven zonder zich bemind te hebben gevoeld door een man.

Het lukte haar pas om zich los te maken van haar overspannen, narcistische echtgenoot na veertig jaar moordhuwelijk. Toen haar jongste kind als laatste van de drie het ouderlijk nest verliet en ze alleen achterbleef met hem pakte ze alsnog haar biezen. Ze is nog even bij hem terug geweest: ze bezweek voor zijn loze beloften en voor de nieuwe keuken die ze had geëist en die er kwam met geleend en nooit terugbetaald geld (van een rijke huisvriend die nog iedere dag bij iedereen – behalve bij de lener – zijn beklag doet over de tienduizend piek die hij nog krijgt).

Haar werk en daaruit voortvloeiende contact met andere, leuke mensen en haar kinderen en familie hielden haar al die decennia met hem op de been. Het was een kwestie van overleven, en van slikken en negeren, van de ogen dichtknijpen en dan nog heel hard wegkijken van de binnenkant van haar binnenste.

Sinds haar vertrek bij haar gestoorde man leeft ze in een comfortabel appartement nabij het centrum van de stad. Ze ontbijt in haar eentje, ze luncht in haar eentje en ze eet warm in haar eentje.

Op woensdagmorgen komt haar zoon anderhalf uur op bezoek. Het gaat al vanaf zijn achttiende niet goed met hem (ze voelt altijd hoe gespannen en ongelukkig hij is) en hoewel ze daarvan zoveel mogelijk probeert weg te kijken en overdreven vrolijk doet (ook tegen hem), ontkomt ze niet aan de confrontatie met zijn lijdensweg. Ze kan het niet aan. Ze moet zichzelf beschermen tegen de pijn. Ze is gevoelig. Heel gevoelig. En heel betrokken. Maar toch vooral nog altijd zelf aan het overleven.

Als kind moest ze overleven in het internaat dat werd gerund door vreselijke nonnen maar ook thuis waar haar keihard werkende ouders weinig oog hadden voor de behoeften van hun kinderen, terwijl haar vader zijn dochters opsloot in zijn kooi van overbezorgdheid. Ze mochten haast niets van hem, bang als hij was dat hen wat zou overkomen. Haar moeder, zijn vrouw dus, probeerde loyaal te zijn aan beide partijen: aan haar dochters en haar man. Dat was behoorlijk schipperen. Maar als schippersvrouw was ze dat gewend.

En als echtgenote van haar man moest ze wederom zien te overleven, haar vege lijf zien te redden. Leuke spulletjes voor in huis en mooie kleren zorgden voor de broodnodige ontspannende afleiding en voor enige voldoening.

Ze heeft zich er nooit onder laten krijgen. Nimmer depressief of overspannen geweest, altijd lief en vriendelijk gebleven en immer goed gemutst, goedlachs. Zich nooit beklaagd. Althans niet jegens anderen. Misschien wel als ze alleen was en is.

Vijf jaar geleden kreeg ze baarmoederkanker. Op een dag plaste ze bloed. Ze had nooit wat gemerkt van die tering-tumor, ze had zich niet slechter gevoeld dan de jaren daarvoor. Voordat ze het wist, zat ze in een traject van chemo-behandelingen en inwendige bestralingen. Soms was ze na zo’n behandeling totaal van de wereld, compleet uitgeteld en er geestelijk nog maar amper bij. Haar haren heeft ze echter nooit verloren, niet ééntje.

Omdat haar kinderen werkten, maar mede omdat het kroost zelf moeite had om emotioneel het hoofd boven water te houden (mede gezien de uitwassen van hun jeugd plus bijkomstige actuele problemen) stond ze er zelfs in die periode nagenoeg alleen voor. Een taxi haalde haar twee keer in de week op voor de ziekenhuisbehandelingen en in de periode dat ze voor een paar weken permanent in het hospitaal moest liggen, is ze enkel en alleen twee keer bezocht door haar zoon die zich misschien nog wel slechter en zwakker voelde dan zij, al was hij er lichamelijk natuurlijk veel beter aan toe.

In die periode gaf ze wel eens – op haar zwakste momenten – ruiterlijk toe dat het voor haar niet meer hoefde. Maar toen ze schoon werd verklaard, blokkeerde ze het toen recente verleden en stond ze er nog maar zelden bij stil wat haar aan ziekenboeg-hel was overkomen. Ze kan overleven als geen ander. Ja, als ze weer een raar of vervelend gevoel had in haar buik, speelde de angst voor een herhaling van ziekenhuis-zetten haar weer op, net als bij iedere check-up/controle.

Eenmaal schoon verklaard, bleef haar nog altijd niet veel bespaard. Na de behandelingen was ze veel sneller heel erg emotioneel en kon ze zomaar ineens gaan huilen. Dat vond ze heel erg rot, want ze was juist iemand die alles altijd had weggelachen. Bovendien is het heel erg vervelend wanneer negatieve emoties te pas en te onpas een loopje met je nemen. Haar vergeetachtigheid verergerde schrikbarend. Met name haar korte termijn-geheugen was (tijdelijk) beangstigend slecht. Daar zat ze heel erg over in, bang om dement te worden.

Ze had nooit gedacht dat ze een ernstige ziekte zou (kunnen) krijgen, maar na de kanker was ze niet meer zo onbekommerd over haar gezondheid. Ze wist vanaf die tijd dat het lot niemand spaart. Tot overmaat van ramp had ze de hele dag door orgasmes, althans orgasme-gevoelens tussen haar benen. Haar lichaam was duidelijk helemaal de draad kwijt. Gelukkig werd dit gaandeweg allemaal wel weer veel beter.

Ze maakte niet lang nadat ze schoon was verklaard een val waardoor ze haar onderbeen brak, haar bloeddruk was gevaarlijk hoog, door de bloeddrukpillen werd ze tijdens haar dagelijkse ommetjes soms ineens heel erg duizelig en daardoor onzeker en haar nieren en hart moesten volgens de doktoren in de gaten worden gehouden. De slapeloze nachten zijn ook geen pretje.

Maar het ergste was en is misschien nog wel de eenzaamheid. Ze spreekt dan wel bijna iedere dag af met vriendinnen of met een van haar zussen, maar (op die leeftijd) geen levenspartner, geen FIJNE levenspartner hebben, is een groot gemis. Iedere dag maakt ze een lange wandeling, door de stad of in een natuurgebied. Ze geniet er wel van, maar ze wandelt vooral omdat dit gezond zou zijn en om de tijd te doden. Geregeld zit ze alleen ergens op een terrasje. Ook mist ze haar werk verschrikkelijk. Door die kanker moest ze noodgedwongen met pensioen, terwijl ze liever tot aan haar dood was blijven werken. Ze genoot er zo van!

Ze is altijd een mensen-mens geweest. Niet dat ze iedereen leuk en aardig vindt (al doet ze haast altijd lief en aardig tegen iedereen), maar de mensen van wie ze houdt, zijn erg belangrijk voor haar. Iedere zondagavond kookt ze voor haar drie kinderen en hun gezin. Dan heeft ze weer drie of vier uurtjes gezelschap. Tijdens die bijeenkomsten is zij voornamelijk bezig met opdienen en afruimen en tijdens het eten hebben de kinderen en kleinkinderen het hoogste woord en zit zij er eigenlijk maar wat bij (ze is verbaal niet zo sterk), maar toch geniet ze van die etentjes. Gezelligheid gaat bij haar boven alles. Ze is niet zozeer een moeder of oma, maar meer een vriendin.

Ze heeft zichzelf opgeofferd als taxichauffeur van haar kleinkinderen die graag en vaak uitgaan. Geregeld heeft ze nachtdienst. Dan haalt ze haar jongste kleindochter om 04.30 uur op. Of ze brengt hen naar en haalt hen op van de fitness. Je kan haar letterlijk en figuurlijk middenin de nacht wakker maken om een kleinkind te brengen of te halen… Ze leeft van en voor die contacten. Ze voelt zich ook zo graag geliefd en nuttig!

Bij haar kinderen komt ze niet zo heel vaak over de vloer. Twee van haar kinderen hebben erg veel behoefte aan rust en tijd voor zichzelf en hun gezin, en houden niet van onaangekondigde bezoekjes, zelfs niet van moeder. Zij vinden het eigenlijk ook wel een beetje een emotionele en mentale belasting als ze op bezoek is. Ze zit altijd op het puntje van de stoel (niet erg relaxed) en praat het liefste alleen maar luchtig over koetjes en kalfjes, ook wanneer zij zich slecht voelen (en dat is nogal vaak). Daar kunnen die kinderen niet altijd goed tegen, of daar hebben ze niet altijd zin in of behoefte aan. Communiceren kan op die manier zo vermoeiend zijn. Daar voelen zij zich dan weer schuldig over dat ze dat zo ervaren (want dat verdient ze niet!).

Tegenover haar zoon geeft ze – na vele voorzetjes van zijn kant – sporadisch toe dat ze nu een surrogaat-leven leidt (ze wandelt veel, maar deed liever wat anders, zoals werken), ze zich toch vaak alleen voelt en dat ze niet weet of ze zich weer zou laten behandelen als ze opnieuw kanker kreeg of een andere ernstige kwaal.

De zoon, de jongste van haar drietal, heeft in tegenstelling tot haar geen optimistische kijk op het leven. Hij noemt zichzelf realist, maar benoemt door zijn lijdensweg meestal vooral de donkere kanten van die realiteit. Als hij mensen hoort zeggen dat het leven mooi is en dat je alles kan bereiken wat je ECHT wilt, dan denkt hij bij zichzelf: ‘Dat klinkt mooi, maar ik heb ervaren dat het niet waar of slechts gedeeltelijk waar is. Ook een hels leven kent mooie momenten of zelfs periodes, maar het leven is vooral een strijd en voor veel mensen (zoals ik) een ware geseling, en vaak genoeg worden schuldloze mensen opeens geconfronteerd met een ongeluk, een ramp, een ernstige ziekte, de dood of wat aan narigheid dan ook. Ik weet zelf hoe het is om door de gevolgen van een helse jeugd overmeesterd te worden door stoornissen en niet meer uit die vicieuze cirkel te kunnen ontsnappen, ondanks de grootste inzet en sterkste wil van de wereld. Mensen kletsen maar wat, maar omarmen en benoemen zelden de hele realiteit en dan vooral niet de donkere kant van de realiteit’.

Zij is het ergens wel met hem eens. Zij voelt het vaak genoeg precies zo, maar zij is beter in ‘doen alsof’, negeren, over de ellende heen stappen en in optimisme. Ze wordt wel eens moe en gaar van zijn tirades tegen het leven, en van zijn zwartgallige filosofische beschouwingen, als hij zoiets zegt als: ‘Vroeger dacht ik altijd dat paranormaal begaafde mensen heel bijzondere mensen waren en daarom speciaal door God of engelen uitverkoren waren om deze gave te hebben en ermee te werken, maar nu weet ik dat het evengoed vaak eikels en trutten, narcisten en geldwolven zijn die toevallig een wat betere intuïtie hebben’. Zij knikt dan bevestigend en looft soms zelfs zijn inzichten, maar ze kan de volgende keer en in zijn bijzijn tegen een van haar andere kinderen zeggen dat paranormaal begaafde mensen heel bijzondere mensen zijn, of zoiets. Daar wordt hij wel eens gek van: dat ze met iedereen meepraat. Als een ander een andere mening heeft dan zij, dat ze dan nimmer haar eigen mening geeft, omdat ze niemand wilt kwetsen.

Of hij zegt zoiets als: “De mens is zo stupide te denken dat wij de kroon zijn op de schepping en/of evolutie, terwijl die evolutie nog niet ten einde is en wij net zo makkelijk kunnen uitsterven als de dinosauriërs die trouwens veel langer op aarde heersten (140 miljoen jaar) dan wij nu doen (meer dan slechts -!- 200.000 jaar). De mensheid is een betrekkelijk jonge ‘aardsoort’. En toch menen wij dat wij boven de natuur staan en dat alles om ons draait en dat God een mensachtige is die zich speciaal om ons bekommert. Dat is net zo stompzinnig als te menen dat je tot een bepaald puur ras behoort, terwijl we allemaal een mix zijn van diverse rassen/voorouders.” Wederom knikt zij dan bewonderend, maar ze kan tijdens een latere familiebijeenkomst zomaar met iemand meepraten die beweert dat de mens de kroon is op de schepping.

Ze leidt een leven waarin ze zich altijd heeft weggecijferd en anderen heeft behaagd, en waarin ze nooit heeft geleerd daar korte metten mee te maken, en dat ook niet wil leren. Ze vindt het goed zo. Hoewel er dingen zijn die haar storen, neemt ze het leven en zichzelf maar ook anderen zoals ze zijn. Ze heeft geen behoefte om dingen te veranderen, mensen te veranderen of zelf te veranderen/groeien/leren.

Ze heeft altijd haar uiterste best gedaan om haar kinderen een leukere jeugd te geven dan ze zelf had en om niet zo extreem en meedogenloos streng te zijn als haar eigen toch wel heel lieve en goed bedoelende vader. Daarin is ze ondanks alle goede intenties enorm doorgeschoten. Ze voedde haar kinderen grenzeloos en kritiekloos op. Ze stelde geen grenzen, ze stelde weinig eisen en gaf weinig sturing.

Jazeker, ze heeft alles – materieel en immaterieel – gegeven wat ze had om haar kinderen een fijn leven te bezorgen en om een leuke moeder te zijn. Maar ze was geen opvoeder én ze was getrouwd met een extreem moeilijke en naargeestige man (wiens gezag door de kinderen niet werd geaccepteerd, omdat ze onder en door hem leden) en ze had niet de moed om bij hem weg te gaan en een leven met haar kinderen op te bouwen zonder hem. Ze heeft hem in hun gezin geduld, terwijl ze hem eigenlijk niet duldde en hij behalve zijn eigen leven hun leven bijna verknalde en hen psychische en emotionele schade heeft toegebracht, al zal dat nimmer zijn intentie zijn geweest (hij kon en kan niet beter, zoals een vulkaan het niet kan helpen dat hij uitbarst en lava spuwt).

Tragedies horen helaas bij het leven. Sommige tragedies worden we de baas en maken ons sterker, maar veel tragedies richten blijvende en zelfs toenemende schade aan, maken we zelf nog erger dan ze al zijn en hebben we ‘zelf’ (nou ja, wat is een bewuste keuze en vrije wil?) veroorzaakt of ons laten aandoen.

Zij sluit de tragedies het liefste buiten en kijkt naar wat wel goed gaat. Ze heeft daarbij het geluk tot dusver psychisch en psychosomatisch gezond te zijn gebleven wat het een stuk aangenamer en makkelijker maakt voor haar om positief te blijven. Haar zoon heeft dat geluk helaas niet en is daardoor meer afgestemd op de tragedies en de gevolgen ervan.

De balans opmakend, kun je stellen dat zij vanuit haar perspectief het beste van haar leven heeft gemaakt. Ze prijst zich gelukkig met wat ze wel heeft en met wat er goed is gegaan. Ze heeft altijd een goede inborst gehad, net als haar ouders. Haar bedoelingen waren (vrijwel?) altijd goed en zuiver. Toch is ze niet altijd even prettig gezelschap, hoe lief en aardig ze ook doet en is. Soms weet je niet wie zij werkelijk is en lijkt ze je problemen niet erg serieus te nemen. LIJKT.

Zelden laat ze haar bedroefde kant zien, terwijl de lijnen in haar gezicht en de grimas op haar gelaat (vooral als ze zich ongezien waant) verraden dat ze erg heeft geleden en nog steeds erg lijdt. Diep van binnen is ook zij toe aan bevrijding van dit aardse lijden, aan het Paradijs, het Paradijs dat ze op aarde altijd heeft proberen na te bootsen en waarvoor ze de aarde toch altijd voor heeft proberen aan te zien.

Ze is een moderne vrouw van 75 jaar, een grootmoeder die jong van geest is gebleven en die ontzettend taai is, die heel goed is in overleven, in overwinteren. Ze heeft veel waardering en liefde gegeven én van haar kinderen en kleinkinderen gekregen. Maar ze heeft nooit het genoegen gesmaakt van een fijne liefdesrelatie. Ze had zelfs alleen maar een extreem slecht huwelijk met een extreem moeilijke en lastige man. Ze woont alleen op een appartement en ziet zelden of nooit een leuke vent met wie ze wel wat zou willen proberen of beginnen (dat vindt ze ook eng, ongemakkelijk, onwennig). Ze weet dat ze zal sterven zonder ooit echt gelukkig geweest te zijn in de liefde. Zelfs in de beginperiode waarin ze hevig verliefd was op haar acht jaar oudere man, toen nog vriend, was ze niet helemaal gelukkig in de liefde, want ze ergerde zich toen al aan bepaalde rare trekjes van hem. Ze luisterde niet naar de waarschuwingen van haar lievelingsoma dat hij geen man was voor haar, dus niet de juiste was voor haar.  En toen ze ongehuwd zwanger werd, gaven haar ouders haar een ontsnappingsclausule, maar zij wilde per se met hem trouwen. Naïef en koppig. Ontzettend koppig, tegendraads, eigenwijs.

Met je ogen dichtgeknepen kun je niets zien. En al zeker niet als je ook de binnenkant van je ogen sluit…

http://www.rolanddanckaert.nl

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s