Waarom mensen geloven

Wat moet het kracht geven en heerlijk zijn om met twijfelvrije overtuiging te vertrouwen op een liefhebbende Almacht die zich over je ontfermt, die zorgt dat alles goed komt en dan voor eeuwig goed blijft én die jou ten volle kent en liefheeft, die beter nog dan jij weet wie en wat je bent.

Het lukt mij niet om in een dergelijke Almacht te geloven (en ik doe er ook geen pogingen meer toe, daarvoor ben ik te ver atheïstisch – holistisch humanist/realist).

Ik vind het scheppingsverhaal en dat hele Jezus-gedoe als de zoon van God te mooi om waar te zijn, nogal vergezocht en zeer onwaarschijnlijk als ik kijk naar de realiteit van alledag en naar de ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling van de natuur (= al het leven).

Je hoeft mij niet te vertellen dat er machten en krachten groter zijn dan (van) de mens, al hebben we het dan alleen maar over de oceanen, het klimaat en de zon. Alsof dat allemaal niks is: dat zijn wel de elementen die het leven vormen en mogelijk maken!

Geloven is pure psychologie. En wat werkt beter dan een leugentje om bestwil en jezelf en elkaar voor de gek houden? Geloven is psychologische placebo.

Prima als het geloof je kracht en rust geeft, ik wou dat ik dat alles in die mate had. En toch vind ik het scheppingsverhaal schadelijk, omdat het de waarheid geweld aandoet. De waarheid gaat voor mij boven alles, ook als die waarheid minder comfortabel en troostrijk is dan we nodig hebben of zouden willen.

Door het geloof in het scheppingsverhaal zeg en denk je dingen die niet waar zijn en krijg en geef je een verkeerd beeld van de realiteit. Bovendien vergeet je dan wellicht nog eerder waar het in essentie om gaat: dat we het in het hier en nu voor en met elkaar moeten doen.

Maar het geloof bulkt vooral van de valse aannames, van de leugens dus. Een klein voorbeeldje: het is gewoon niet waar dat we (allen) kracht naar kruis krijgen. Dat is een fabel. Anders pleegde niemand zelfmoord. Anders koos niemand voor euthanasie. Anders draaide niemand door. Het is wél waar dat mensen, zoals alles dat leeft, sterk zijn en meestal sterker zijn dan ze denken: als het nodig is blijken we vaak over heel wat reserves te beschikken en tot iets in staat te zijn waar we onszelf niet meer toe in staat achtte, uitgezonderd de mensen die zichzelf en hun vermogens standaard overschatten.

Maar die kracht in ons (creatieve, flexibele overlevingsdrang!) is geheel iets anders dan dat er een Hogere Macht is die ervoor zorgt dat onze last nooit te zwaar wordt. Een dergelijke Hogere Macht met een dergelijke intentie is er overduidelijk niet en zoiets als voldoende kracht krijgen van God om niet te breken, is een leugen. Je kan als gelovige vanzelfschrijvend wél kracht putten uit je geloof en uit het contact met gelijkgestemden, dat is echter opnieuw wat anders dan de zo vaak gehoorde stelling dat God ons kracht naar kruis biedt.

Omdat mensen dondersgoed beseffen en ervaren dat ze nietig en grotendeels onmachtig zijn, hebben ze iets of iemand nodig dat/die meer positieve macht en kracht (en goedheid) heeft dan wij. En aangezien wij stervelingen helaas weten dat we weldra zullen sterven – is het niet vandaag dan toch zeker reeds over een kleine, luttele honderd jaar – en we met dat idee en vanuit ons enorme ego niet kunnen leven, klampen we ons aan iets/iemand vast dat/die de dood overstijgt en overwint, of dat nou het hiernamaals of reïncarnatie is.

Het geloof is dus een pleister en een strohalm.

Nogmaals, ook ik hoop dat er een rechtvaardige Almacht is die precies weet wie ik ben, wat ik doormaak en die ervoor zorgt dat uiteindelijk voor altijd alles goed komt met mijn dierbaren en met mij. Ook ik heb daar behoefte aan. Ook ik kan eigenlijk niet zonder die hoop en dat vertrouwen.

Mijn ‘manco’ is echter dat ik niet met mijn verstand noch met mijn hart, intuïtie en instinct kan geloven dat er een Almacht is die zich over ons ontfermt en zich om ons bekommert. Ik kan niet geloven dat wij meer zijn dan behoorlijk geëvolueerde dieren en dat ons een ander lot beschoren zal zijn dan de uitgestorven dodo’s en dino’s.

Waar haal ik dan mijn gemoedsrust, vertrouwen en hoop vandaan? Vooropgesteld dat ik van alle drie veel te weinig heb door alle verschrikkelijk veelzijdige en complexe moeilijkheden in mijn leven, zijn er toch wel mensen en zaken die me kracht geven, zoals mijn vrouw en kinderen en ikzelf, kunst in de breedste vorm van het woord, sfeer en gezelligheid, humor, wijsheid, eten en drinken, seks, sport en reizen.

En daarnaast probeer ik mijn doodsangst te sussen door te voelen en weten dat ik er evenmin aan zou moeten denken om eeuwig te leven, en al zeker niet op de manier waarop ik mijn afgelopen vijftig jaar heb moeten spenderen: het was/is vaak mooi, maar het was/is vooral een gure hel, een afschuwelijke overlevingsworsteling.

Ik probeer mijn frustraties over onze sterfelijkheid te diminueren door mijn ego klein te houden (wie ben ik dat ik eeuwig zou moeten leven?), de dood te relativeren (als je dood bent, dan ben je je daar toch niet van bewust en dan kan je leven dus ook niet voor niks zijn geweest – want dat besef je dan niet meer) en de dood op te hemelen, omdat het een einde maakt aan alle waanzin, stoornissen, frustraties, existentiële pijn, ziekten, angsten, oorlogen en andere kommer en kwel(geesten). Heerlijk rustig lijkt me dat. De dood is in dat opzicht net zo attractief als het goede leven.

Met aardse dingen en aardse mensen probeer ik de pijn te verzachten en de last te verlichten, plezier te beleven aan dit vaak toch ook prachtige en op z’n minst interessante, boeiende, doch sadistische, meedogenloze en krankzinnige ondermaanse gerommel.

Ik geloof best dat het geloof – een werkelijk vertrouwen in een God – heilzaam zou kunnen zijn voor mij. Maar het is een medicijn waar ik niet bij kan en waar ik al bijwerkingen van krijg als ik eraan denk om het in te (moeten) nemen… Bovendien HEB ik geprobeerd te geloven, jarenlang en heb ik alles wat me door school, kerk en ouders werd onderwezen geadopteerd (de ultieme conditionering). Het geloof heeft me evenwel nooit kunnen overtuigen en heeft me nooit gepast.

Alles in mij verzet zich tegen het geloof in het geloof. Als het allemaal klip en klaar waar was geweest, ja, dat zou prachtig zijn geweest. Maar dat is dus echt te mooi om waar te zijn. Zo mooi is de natuur (het leven) nou ook weer niet, helaas. Sprookjes bestaan niet.

Enkele redenen waarom ik niet kan geloven, zijn:

  • Ik zie dat de natuur (de zogenaamde schepping) behalve positieve en constructieve gedragingen, eigenschappen en mogelijkheden ook heel erg negatieve kanten heeft. Los van het mensdom gebeuren er van nature al rampen en is de natuur een strijd gebaseerd op overleven en leven en dood, op concurrentie en competitie, op hiërarchie (en dus ongelijkheid). Er gaat altijd weer iets fout. De natuur zit geweldig goed in elkaar, maar is verre van volmaakt en ideaal. Er hapert dus heel wat aan die zogenaamde schepping. Met een niet-volmaakte Almacht nam ik beslist ook genoegen, maar er is niets dat mij almachtig kan doen geloven. Menen dat God er is, vind ik net zo ziek als menen dat er demonen zijn, al is het een feit dat er constructieve en destructieve natuurkrachten en energieën zijn. Waarom? Daarom! Omdat het zo is, van nature!
  • Ik vind het verhaal over Adam en Eva en dat hele gedoe over zonde gewoonweg krankzinnig. Als dat waar zou zijn, dan was God een enorme eikel en tiran en dan wil ik niet eens in zijn hemel komen en zijn. Fuck off!
  • Ik vind het geloof veel te mens-centrisch. Gelovige mensen menen dat we de kroon op de schepping zijn, maar we zijn ook de enigen die dat denken. Bovendien is de evolutie nog lang niet ten einde. Wie weet welke wezens ons gaan overheersen! De bomen, tijgers en de dino’s vroeger denken/dachten niet over zichzelf dat ze de kroon op de schepping waren en dat dachten ze al zeker niet over ons, en terecht! Ik denk dat de hamburger-varkens er ook niet zo over denken, als ze hadden kunnen denken en praten! Ridicuul vind ik het dat die Hogere Macht een mensachtige zou zijn en dat wij zijn/haar favoriet en kroonjuweel zouden zijn. Hij was echter zo teleurgesteld in de mens dat hij zijn bloedeigen zoon offerde. Belachelijk. Misselijkmakend zelfs!
  • Het geloof in God zie ik als niet anders dan het geloof in de Griekse mythologie: heel erg symbolisch en metaforisch, maar gelardeerd met voornamelijk fantasie.
  • Ik heb altijd het beeld voor ogen van de mensen die in de Tweede Wereldoorlog omkwamen in de concentratiekampen en van de Noord-Amerikaanse indianen die net als de Joden werden uitgeroeid. Ik kan er met mijn verstand niet bij dat een Hogere Macht zoiets zou toestaan en dan niet zou ingrijpen. Het idee dat de indianen en Joden na hun dood net als Jezus een heerlijk leven zonder nare herinneringen hebben, vind ik onzinnig en volkomen ongeloofwaardig: waarom zou je overigens eerst door de hel op aarde moeten om later in Het Licht te baden. Waarom niet nu al een hemel/de volmaaktheid/het ideale op aarde? Oh, vanwege onze vrije wil? Maar die vrije wil is in die zalige eeuwigheid plots niet meer van zo’n groot belang? Als je ziet wat die vrije wil heeft aangericht, dan stop je daar toch mee, als je almachtig bent?!
  • Ik heb nimmer de aanwezigheid en invloed van God bespeurd, met de beste wil van de wereld niet. Nog nooit is een gebed verhoord, niet van mij en niet van mensen die ik persoonlijk ken en al helemaal niet van die uitgeroeide indianen en Joden. Bidden heeft me wel vaker valse hoop gegeven en voor eventjes innerlijke kracht, totdat ik weer het deksel op de neus kreeg en werd vernederd.
  • Al met al word ik heel erg kwaad en zelfs agressief als ik gelovigen hoor zwemelen. Ik vind het volslagen onvolwassen, ondoordacht en onrealistisch gedrag, buitengewoon ergerlijk. Ik ga toch ook geen krant lezen waar sprookjes in staan als ik wil weten wat er echt is gebeurd? Het geloof zou geen rol meer moeten spelen. De goede, lieve mensen moeten gewoon hier en nu de handen in elkaar slaan en het voor en met elkaar doen en er het beste van maken. Hier en nu, daar gaat het om. Maar daarbij is een lange termijn-visie wel broodnodig, want we willen hier en nu toch ook het goede doen voor alle generaties na ons en voor deze planeet en haar ecosysteem? En daarbij moeten we elkaars idealen niet meteen afschrijven door te stellen dat je toch ook 4 keer per jaar het vliegtuig pakt en daarmee het milieu belast. We moeten kijken naar de bijdrage die we kunnen en willen leveren en naar de inspanningen die we al doen. Ons opofferen voor onzelf, de planeet en toekomstige generaties gaat niet van de ene op de andere dag, maar iedere intentie en kleine en grote daad in die richting is meegenomen! Dat alles is veel urgenter dan de discussie of God bestaat of niet.

http://www.rolanddanckaert.nl

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s