Veranderde tijden

Laat in de Tweede Wereldoorlog werd Theo door de Duitsers thuis opgehaald. Hij moest voor de Moffen gaan werken in een werkkamp, net als een van zijn broers. Na een maand of drie keerden ze terug, de oorlog was (bijna) voorbij. Maar over wat hij in dat werkkamp heeft meegemaakt, heeft hij (volgens de familie) nooit gesproken. Met zijn vrouw Maria misschien wel, maar beslist niet uitvoerig. Maria sprak er ook nooit over, niet over wat Theo had meegemaakt en niet over wat zij had doorgemaakt. In die tijd ging alle energie op aan hard werken (geld verdienen en/of carrière maken), het grote gezin en de wederopbouw. Er werd niet veel gepraat, en al zeker niet over emoties en gevoelens. Daar was geen tijd voor of daar nam men de tijd niet voor. Het was een generatie die het was gewend om hard te werken, die niet beter wist dan dat klagen geen zin had, fout en contraproductief was.

Ik vraag me af hoe dat gegaan is, nadat Theo was teruggekeerd van het werkkamp. De familie kan zich heugen dat Maria alles uit haar handen liet vallen toen ze vernam dat en waar Theo was teruggekomen. De blijdschap van het weerzien was enorm groot en twaalf maanden later beviel Maria van haar zoveelste kind. Nadat Theo zijn vrouw en kinderen weer in de armen was gevallen, heeft hij toen gewoon een goede maaltijd genuttigd, heeft hij gekeken naar wat er over was van zijn bedrijf en is hij vervolgens gaan slapen? Is hij de volgende morgen alweer om 06.00 uur opgestaan om zijn werk te hervatten? Business as usual? En ging ook Maria gewoon door alsof er niets was gebeurd?

Natuurlijk, Theo had het geluk dat hij lichamelijk, emotioneel en psychisch niet (te) beschadigd was geraakt in het kamp. Hij had geen trauma opgelopen. Het moet zwaar zijn geweest, die dwangarbeid en het missen van de familie, maar het had hem niet mishandeld. Maria was er ook niet aan onderdoor gegaan. Gelukkig maar. Niet iedereen had dat geluk. Anders belandde je in een gesticht of raakte je aan de pillen en/of de drank. Dat gesticht was toen allesbehalve een pretje, nog veel minder een pretje dan nu. De sfeer in zo’n gesticht was deprimerend en de benadering van de patiënten weinig hartelijk, menselijk, begripvol en zorgzaam. Het was een gekkengesticht en wie gek was, telde niet mee en werd zelfs beschimpt, uitgelachen, buitengesloten en vernederd.

Er was in die jaren weinig aandacht voor de problemen, zorgen en kwalen. Praten over je leed, beschouwde men als een zonde, als een zwakte, als nutteloos. Hard werken, dat was wat telde. Van hard werken, ging en ga je zogenaamd niet dood. Als je geluk hebt, dan blijf je inderdaad gezond (genoeg), krijg je geen versleten rug, knieën, hart of geest. Natuurlijk, door hard te werken kun je veel bereiken en je inkomen garanderen. Niets doen is niks, is slecht voor een mens.

Het was de periode van ‘niet lullen, maar poetsen’. Er ging natuurlijk heel veel in de mensen om, maar ze hadden weinig tijd en energie over om daar bij stil te staan, het werk en het runnen van het grote gezin stonden centraal en vroegen alle aandacht. Bovendien was (uitvoerig) praten over persoonlijke zaken not done. Een psycholoog of psychiater zag je alleen als je heel duidelijk de weg kwijt was en ze niet meer op een rijtje had, als je echt totaal niet meer kon functioneren. Hoe anders is het nu…

Bij wat de kinderen doormaakten, bijvoorbeeld op kostschool, daar vroeg niemand naar. Je wist niet beter dan dat het zo was en moest zijn, nooit anders kon zijn, nooit bedoeld was om anders te zijn dan zoals het eraan toe ging. Je had het maar te verdragen. Er werd als kind niet aan je gevraagd hoe je je voelde. Het enige wat telde, is dat je braaf at, leerde, bad en onderdak had. Als je geluk had, dan werd je niet misbruikt en niet gepest en bleef je geestelijk, lichamelijk en emotioneel (redelijk) intact. Zo’n kostschool bij de nonnen, dat was geen pretje – het was heel zwaar en voedde ongelukkige gedachten en gevoelens – maar je ging er meestal niet aan ten onder, niet aan kapot. En je onderging het. De mensen en zeker de kinderen waren meestal nog niet (zo) mondig. Men schikte zich meer in zijn of haar lot.

Zo ook Rosalia. Zij was zo’n kostschoolmeisje. Nog steeds haat ze de nonnen. Die harteloze, bijna sadistische, meedogenloze, geschifte nonnen. Het was helemaal geen leuke tijd op die kostschool. Alleen in de vakanties kwam ze thuis. Papa en mama waren eigenlijk altijd – zelfs tijdens de vakanties – aan het werk. Het leven draaide er niet om dat je gelukkig was, maar dat je werkte, kinderen op de wereld zette en naar de kerk ging.

De ouders van Rosalia runden samen een bedrijf en moeder de vrouw ook nog een heel groot huishouden. Als kind was je al blij als je eens een extraatje kreeg, iets leuks/aparts meemaakte, een gelukkige tijd beleefde. Rosalia vond het eerste jaar na de kostschool, op de gewone Middelbare school dus, het fijnste van haar hele leven. Ze bleef zitten, omdat ze zich meer richtte op de vreugdevolle vriendschappen met de jongens en meisjes dan op haar leertaken. Na het tweede jaar werd ze door haar ouders van school geplukt – tegen haar zin in, maar ze sputterde amper tegen, want ze wist dat er toch geen ontkomen aan was: de wil/voorschriften van de ouders was/waren toen nog wet – om in het familiebedrijf te gaan werken. Er werd van alles voor je beslist. Wel zo makkelijk, de kinderen nu hebben keuzestress en dus veel te veel keuzemogelijkheden.En vrijheid. Godzijdank wel, helaas wel. Vrijheid werkt twee kanten op, zoals alles.

De tijdsgeest is veranderd. Rosalia is nu oma en komt  nu pas toe aan haar beklag over haar veel te strenge vader, de te geringe aandacht van haar ouders, haar eigen nooit geziene behoeften als kind en die kut-nonnen. De mensen nu hebben veel meer tijd, energie en vrijheid om te klagen. Ergens maar goed, ergens jammer. De middenweg wordt zelden bewandeld, meestal gaan de generaties van het ene in het andere uiterste. De gezinnen zijn kleiner, het werk is dankzij robots, computers, tablets en machines minder zwaar en tijdrovend en de mensen zijn veel mondiger en eisen veel meer. Plus dat er meer aandacht is voor de psyche en het welzijn van het individu.

In de tijd van Lodewijk de Veertiende – eind zeventiende eeuw – was naar de arts gaan een riskante operatie, want toen stierven de meeste mensen aan dubieuze doktersbehandelingen. Tegenwoordig moeten en kunnen de witte jassen zelfs dodelijke kwalen genezen en de dood een hele tijd uitstellen, als je geluk hebt. Mensen praten veel meer dan vroeger en al zeker over hun privé-besognes. Ja hoor, prima. Toen Theo twintiger was, was seks iets dat je snel tussendoor deed, ook omdat mijnheer pastoor gezinsuitbreiding beval. Tegenwoordig is seks een luxe tijdverdrijf geworden, met allerlei toeters en bellen. En het moet verfijnde, speciale seks zijn, anders is het niet goed. Er worden ook aan de seks hogere eisen gesteld dan vroeger: iedereen moet het optimaal naar de zin hebben.

De kinderen van Rosalia leven in 2016 en zijn mondige mensen die veel praten over hun gevoelens en emoties. Ze hebben veel meer vrije tijd en energie over na het werk dan Theo en Maria. Rosalia en haar man Johan hadden al meer vrijheid dan hun ouders en deze generatie heeft nog meer vrijheid, comfort en luxe. En spatjes. Noten op de zang.

In de tijd van Theo en Maria leek er maar één wereldprobleem en bedreiging te zijn: de oorlog, de Moffen die twee keer de wereld wilden veroveren en beheersen. Nu  wemelt het van de dreigingen: er is zoveel bekend over zo ontzettend veel oorlogen en humanitaire rampen, er zijn massavernietigingswapens, er zijn boosaardige Moslims, er zijn pedo-netwerken, en dan is er nog de klimaatverandering, de gevarieerde criminaliteit, de stijgende zeespiegel, het verstoorde ecosysteem, de milieu- en luchtvervuiling, de teloorgang van Moeder Natuur, de werkloosheid, het gebrek aan geld/de slechte verdeling van het beschikbare kapitaal voor goede zorg en goed onderwijs voor iedereen, de kloof tussen arm en rijk en ga zo maar door. We worden overstelpt met slecht nieuws.

Na de oorlog was er voor bijna iedereen werk. Je moest wel heel erg gehandicapt en/of gek of nietsnut zijn, wilde je niet aan de bak kunnen komen. Je kon destijds vaak niet worden wat je wilde worden (geen geld voor de studie, geen zeggenschap), maar je had werk en een inkomen. Een vetpot was het vaak niet en de arbeid was dikwijls ongezond en zwaar, maar je had werk. Je maakte je over je toekomst wat dat betreft niet zoveel zorgen.

De kinderen en al zeker de kleinkinderen van Rosalia hebben totaal geen zekerheid over hun toekomst: het is een uitzondering als je je leven lang dezelfde baan houdt en als je na je studie meteen of snel een baan vindt. De studenten van nu bouwen al bij voorbaat torenhoge studieschulden op, want de regering heeft het studeren duur gemaakt, omdat de politici beweren dat het geld voor scholen, universiteiten en studenten anders niet is op te hoesten: iedereen moet meebetalen, of je nou miljonair bent of Bijstandsgezin. Naar verhouding betalen de armoedzaaiers veel meer, als je hun inkomsten afzet tegen hun uitgaven. Dat noemt dit kabinet eerlijk. En heel veel burgers papegaaien dat na en zijn het er roerend mee eens, of het ermee oneens, maar te verdeeld en te passief om samen ertegenin te gaan, om samen in het geweer te komen tegen dat stupide en gemene onrecht. De solidariteit en samenwerking van tijdens en na de oorlog zijn vrijwel helemaal verdwenen. Ondertussen worden Marx en zijn leer verketterd, alsof het kapitalisme en het neo-liberalisme zo geslaagd zijn en alsof Marx overal ongelijk in had.

Theo stemde echter altijd op het CDA, vanwege de C en Rosalia altijd op de VVD, omdat haar vader een eigen bedrijf had. Wat dat betreft, is er niet zoveel veranderd: godvruchtige mensen stemmen nog steeds op religieuze partijen – ongeacht hun programma – en de meerderheid van de rest – op wat idealisten na – stemt ieder voor zich en God voor geen van ons allen.

En zo hebben we samen een kleine eeuw doorgenomen, en de veranderingen (voor mensen, individuen) die hebben plaatsgevonden door de algemene ontwikkelingen. Sommige dingen waren vroeger beter dan nu, veel dingen zijn nu beter dan toen. Beide tijden hebben pluspunten en minpunten, zoals alles en iedereen.

Ik wens u/jou een zo goed mogelijk bestaan toe.

http://www.Oorlogsverhaalinmelick.rolanddanckaert.nl

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s