Uithuilen

Stefan liep door het bos met z’n burn-out. De herfstbladeren vielen op zijn schouders waarvan niets van de karrenvracht afviel. Bijna gleed hij uit over het gladde boomafval dat als een Perzisch tapijt of regenboog-loper over het bospad was gedrapeerd. Opeens, alsof ze uit de hemel was komen vallen – of`had hij zo in zijn ellende opgesloten gezeten dat hij haar niet had zien aankomen, stond hij oog in oog met Carin die pas haar zoontje van acht heeft moeten begraven op het kerkhof dat haast in haar achtertuin ligt.

Carin vroeg aan Stefan ‘Hoe gaat het met je?’ Stefan wilde zeggen ‘Goed, gaat wel, maar hoe is het jou?’, maar in plaats daarvan kon hij zich niet inhouden. Hij voelde zich miserabel, als een hoopje as naast de asbak, meegenomen door een ademteug van een duivel. Hij zei, bijna kwaad, maar vooral gekweld: “Carin, het gaat heel erg slecht met me. Ik voel me belabberd. Zo zie je maar, je bent niet de enige die lijdt. Iedereen lijdt.” Het was eruit voordat hij het wist.

Carin werd niet boos, maar bleef kalm. Misschien stond ze ook wel perplex en bevroor ze door de schrik. En toen begon Stefan ook nog te huilen. In zijn wanhoop trok hij Carin naar zich toe, pakte hij haar vast en huilde hij uit op haar schouder. Hij voelde dat ze over zijn rug wreef en zei: “Maar jongen toch…”

En toen realiseerde Stefan zich ineens dat hij troost zocht bij een ontroostbare moeder die haar kind aan Magere Hein had moeten afstaan, aan die genadeloze graatgabber. Hij rukte zich los van Carin, wreef stroef met zijn gespannen handen door zijn ogen en zei dat het belachelijk was dat hij zo deed, terwijl zij pas echt door zowat de ergste hel ging die een mens kan beleven. Nu zag hij haar hulpeloosheid, haar verslagenheid, het trauma in haar ogen. Maar nog steeds was hij zelf de weg kwijt. Hij voelde zoveel compassie met deze mooie vrouw, dat hij nu haar gezicht tussen haar handen nam en haar op de mond kuste. Meteen daarna en toch veel te laat realiseerde Stefan wat hij had gedaan. Hij voelde aan haar lippen en kaken haar ontsteltenis, haar verdrietige verbazing.

Stefan draaide zich om, wuifde in zijn draai nog met een arm in de lucht en zei: “Sorry, vergeet dit. Het spijt me. Sorry. Ik ben mezelf niet. Ik wens je veel sterkte.”

En weg beende hij, naar zijn auto.

Twee wanhopige mensen, allebei door een andere oorzaak van de grond onder hun voeten ontdaan… Niet bij machte om getroost te worden en om te troosten. Pikkedonkerte op klaarlichte dag…

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s