De stille planeten

Ik zit op een bankje in een natuurgebied. Het schemert buiten waardoor het duister in mijzelf wordt verlicht. Ik kan steeds minder goed tegen het daglicht. De zomer was voor mij een ware kwelling. Het felle, eeuwig durende zonlicht deed me overal pijn, vooral van binnen. Ik heb in deze fase van mijn leven – met een burn-out behept – kennelijk erg veel behoefte aan rust, ook aan de rust van de schemering en het met romantisch kaarslicht opgeluisterde duister.

In het begin lijkt alles muisstil, geluidloos. De maan en de zon die elkaar passeren zwijgen, het stenen standbeeld van de heilig verklaarde katholieke koning uit de dertiende eeuw is doofstom en zelfs de wind en de bomen houden zich gedeisd. Ook Moeder Aarde houdt de kaken stijf op elkaar. Ze laat zich alleen horen wanneer ze beeft. Zou je het draaien van de planeten überhaupt kunnen horen? Maakt de zon van dichtbij geluid of zelfs lawaai? Ik leg mijn oren op de met asfalt beklede huid van Moeder Aarde en hoor niets, behalve het bloed, mijn eigen bloed, dat door mijn gehoorgang stroomt.

Ik ben niet geil. De hele week al niet. Vorige week heerste nog een seksuele storm in mijzelf. Waarom de ene periode zo hitsig en de andere totaal niet? Bij mij is het sowieso altijd alles of niets, met alles en met niets. Extremen. Wat bepaalt of ik heel veel zin heb in en hunker naar seks en knuffels alsmede vrouwelijk en mannelijk schoon of juist niet? Onbewuste processen en prikkels, hormonen, het weer, de fitheid van lichaam en geest, afleiding of juist fixatie? Dat alles zo’n beetje bij elkaar?

Ik vind het heerlijk als ik geil ben. Die seksuele spanning laat me voelen dat ik leef. Maar ik vind het nog veel lekkerder wanneer ik niet vele etmalen achtereen heet ben. Lekker rustig als de sekshond in zijn hok in mijn buik niet blaft en droomloos en vast blijft slapen. Ik wou dat lusten en driften niet bestonden. Stilte van emoties, stilte van gevoelens, stilte van gedachten. Sommige mensen proberen hun emoties met alcohol en/of drugs het zwijgen op te leggen. Of met seks. De kater blijft nooit uit. De ene verdoving moet dan opgevolgd worden door een sterkere verdoving, totdat zelfs de hoogste dosis veel te laag blijkt te zijn.

Op deze manier, niet geil, ben ik net zo rustig en stil als de zon, maan, aarde en het stenen standbeeld. Prettig. Verlangens maken een mens gek. Vooral verlangens die niet vervuld (kunnen en/of mogen) worden. Maar eigenlijk maakt elk verlangen onrustig, En ongeduldig.

Maar nu zit ik hier op een bankje in een natuurgebied. Hoe langer ik hier luisterend zit, hoe meer geluiden ik hoor. Ik hoor het gezoem van de Provinciale weg vier kilometer verderop, ik hoor de motoren van onzichtbare, hoog boven de wolken overvliegende vliegtuigen, ik hoor boomtakken breken en vallen en wat vogeltjes luisteren de schemering op met enig gefluit.

De avond voelt aan als een hangmat en als volmaakte vrede. En omdat ik niet geil en dus eens niet onstuimig onrustig ben, kan ik die vrede van de natuur absorberen, tot me nemen, er getuige en deelgenoot van zijn.

Zojuist zat ik nog in het veel te bruine, veel te oubollige en stinkende hotelcafé met de opgezette dieren – met name eekhoorns, vogels en wilde zwijnen – hoog aan de muren, bijna tegen het plafond. Ik ging er naar binnen en de drie bejaarde mannetjes aan de tafel staakten hun gesprek en keken mij zwijgend aan, totdat ik hun starende stilzwijgen verbrak met mijn bestelling. Het was alsof de mannetjes werden geconfronteerd met een indringer of met een nog niet ontdekt mensenras, zoals ze naar mij staarden. Is dit een typisch Nederlands verschijnsel, dat staren als er iemand binnenkomt? Nergens anders ter wereld heb ik dit zo extreem meegemaakt als in Nederland. Dikwijls voel ik mij allochtoon in eigen land.

Nadat ik aan een tafeltje in de hoek mijn jus d’orange uit een supermarkt-pak had genuttigd, ging ik een stukje wandelen door het bos. De ganse bosbodem was bezaaid met een dikke laag voornamelijk gele herfstbladeren. Ik zakte soms tot mijn enkels weg in de bladerendiepte die op andere plekken aanvoelde als de veerkrachtige bodem van een trampoline. Ik was helemaal alleen in het woud en hoorde door de herfstbladeren die als geluidversterkers optraden nog beter mijn eigen voetstappen. De zon was zich al van ons aan het afkeren. Ik was een beetje bang. Niet heel erg, gewoon een beetje. Mijn fantasie ging met mij aan de haal. Ik verbeeldde me, zoals altijd als ik in de herfst en winter door een bos wandel, dat het de Tweede Wereldoorlog was en ik soldaat was (van de goeie kant) of dat ik in 2016 getuige was van vluchtende en/of vechtende militairen in 1943. Daarna verbeeldde ik me dat ik werd achtervolgd door een vieze, maar sterke man die me wilde verkrachten, zijn dreigende voetstappen naderend, zijn adem steeds beter horende en zijn perverse, gestoorde onrust steeds beter voelende.

Waarom denk ik meestal aan nare dingen? Omdat mijn leven overheersend een kwallen-bal is, omdat mijn bestaansrecht door het lot wordt uitgelachen en mijn levenspad om de paar kilometer een landmijn of mysterieuze krater bedekt?

Als ik aan mijn jeugd denk, aan mijn vroegste jeugd, dan kan ik me vooral sterk herinneren en denk ik het eerst dat ik bang was voor Zwarte Piet, Sinterklaas me ooit beledigde waar iedereen bij was door te onthullen dat ik met sinaasappels in de woonkamer voetbalde (het gelach van de mensen vond ik vernederend!), dat ik me een hoedje schrok toen een witte band van mijn rode fietsje met wit zadel knapte en een oudere jongen en meisje lachten (dat ervoer ik ook als vernederend!), dat ik bij de schooldokter een pisvlek in mijn onderbroekje had en me daarvoor schaamde, dat Claudia me op mijn wang zoende, zomaar ineens, en dat ze me daarmee in verlegenheid bracht, dat diezelfde Claudia me bij de schooldokter in mijn onderbroekje zag staan (en zij was ook in ondergoed, maar ik was alleen maar bezig met mijn eigen schaamte: zij lachte bovendien spontaan en ontspannen – volgens mij vond ze het geil en had ze stiekem er altijd van gedroomd om in haar slipje mij naakt en  slechts gehuld in mijn onderbroek te zien), dat op een familiebijeenkomst bij ons thuis het velletje van mijn te lange voorhuid van mijn piemel tussen mijn rits was blijven steken en dat een tante mij hielp (nooit heb ik me door hulp en de helpende zo opgelaten gevoeld), dat ik soep knoeide over de jurk van een tante die heel erg boos werd op me, dat ik altijd nachtmerrie-achtig droomde en schreeuwde dat ik gaten in mijn buik had, dat ik als kind helse buikpijnen had (een soort van kinder-buikpijn die ik vanaf mijn tienerjaren nooit meer heb gehad), dat ik me op een avond opeens heel erg bewust werd van de dood en dat mijn ouders ook dood zouden gaan en ik huilend naar beneden stormde om tegen mijn ouders te gillen dat ze dood zouden gaan, dat ik mijn moeder op een middag zo irriteerde dat ze de hete strijkijzer op mijn hand dreigde te zetten, dat een gemene wat oudere jongen in mijn carnavals-cowboyhoed spuugde en die bespuugde hoed met aan de binnenkant zijn slijm op mijn hoofd terugzette (ik zie hem nog weleens en dan noem ik hem ‘de hoed-spuwer’ – hij was trouwens zo brutaal om met me mee te lopen naar huis en mijn moeder aan de voordeur toe te spreken), dat ik met mijn rode trapautootje mijn oudere zussen op de hielen reed en ervan genoot, dat ik de Sint Bernard-hond van de achterburen plaagde en uitdaagde die altijd achter de schutting in het smalle paadje van de rij achtertuinen zat, totdat de eigenaresse van het beest op een middag een emmer koud water over mijn hoofd leeg kiepte vanachter de schutting (ik heb de hond nooit meer een vlieg kwaad gedaan) en dat ik op een avond wakker werd en om mijn moeder vroeg, maar dat ze er niet was (ook niet had gezegd dat ze er niet zou zijn) en ik volkomen overstuur was.

Dat zijn zo’n beetje mijn vroegste jeugdherinneringen, al kan ik me vreemd genoeg ook nog herinneren dat ik als baby van zes maanden in de armen lag van mijn overgrootmoeder, de oma van mijn moeder, de moeder van mijn opa. Ik kan nu nog haar liefde van toen voelen en haar spierwitte haar zien. Ik heb me nooit meer zo geborgen gevoeld als in haar armen. Haar armen en uitstraling waren een ‘buitenbuikse’ baarmoeder. Ze stierf toen ik negen maanden was. Ik had eerst negen maanden in de baarmoeder van mijn moeder gezeten en toen moest ik eruit omdat ik werd geboren en daarna had ik negen maanden in de baarmoeder van de handen van mijn overgrootmoeder gezeten en daarna moest ik er weer uit omdat zij stierf.

Momenteel lees ik trouwens al negen weken in een boek van een Canadese schrijfster wier verhalen voor mij ook een soort van baarmoeder zijn. Heel veel van wat zij schrijft, is voor mij zo herkenbaar en met dezelfde woorden als van mij beschreven dat het lijkt alsof ik aan dat boek heb meegeschreven of dat zij en ik een en dezelfde persoon zijn. Zoiets maak je in je leven maar zelden mee. De meeste mensen hebben weinig of zelfs helemaal niets positiefs toe te voegen aan je bestaan, beleving en eigenwaarde. En als je geluk hebt, zoals ik geluk heb gehad, dan vind je je tweelingziel in de vorm van je levenspartner, kind(eren), zus, broer, moeder, leraar of een vriend. Dat maak je meestal maar één keer in je leven mee, als je het al meemaakt. Ik ken mensen die nooit een tweelingziel hebben gehad of zullen hebben, die echt helemaal godvergeten alleen zijn, zelfs met hun kinderen en man of vrouw…

Met het horen van al die bijgeluiden in dit stiltegebied komen ook bij mij weer de herinneringen en woorden. Het moet echt helemaal stil zijn buiten mij om of iets of iemand moet mij werkelijk helemaal kunnen boeien (een goed spelend Ajax!), wil ik van binnen werkelijk stil kunnen zijn of worden. En met meditatie heb ik helemaal niks, ik word er eng, wezenloos en onrustig van. Mediteren vind ik – puur voor mijzelf – hetzelfde als wiskundesommen maken tijdens het neuken. Ik heb een wiskundeknobbel, maar dan wel in de vorm van een kwaadaardige tumor: ik snap totaal niets van cijfers en wil helemaal niets met rekenwerk te maken hebben en er niet mee geconfronteerd worden.

Mijn vrouw kan niet tegen absolute stilte. Daar krijgt ze angst van. Als het in een kerk bijna geluidloos is, dan vindt ze dat eng. Je zou dat diepgaand kunnen psychologiseren, maar daar heb ik geen trek in. Gepsychologiseer/diepgraven zet zelden zoden aan de dijk. Het kan iets verklaren zonder dat je het echt zeker weet, maar die verklaring verandert zelden iets, levert bijna nooit een positieve, belangrijke bijdrage, bijvoorbeeld aan je herstel of levensgeluk.

Geef mij maar de stilte. De doodse stilte die leeft en me laat voelen dat er zoiets is als een levende dood die mijn beste maatje wilt en kan zijn.

Ik denk nog best vaak terug aan die Turkse handlezer in Alanya. Hij werkte in een zaak met lederwaren, maar hij zei al snel: “Ach, laat die rottassen toch, kom thee drinken, dan lees ik jullie de hand.” Hij voorspelde dat mijn vrouw en ik – toen nog niet getrouwd en niet zwanger – een jongen en een meisje zouden krijgen met heel mooie ogen (iedereen die het over onze kroost heeft, heeft het altijd over de bijzondere ogen van onze zoon en dochter) en dat we te goed zijn voor deze wereld. Hij had groot gelijk. De wereld is niet goed genoeg voor ons en ik kijk graag in de spiegels van de ziel van onze kinderen…

http://www.rolanddanckaert.nl

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s