Herinneringen aan school

Mevrouw Mensink in de eerste klas van de lagere school was de eerste mens op wie ik verliefd raakte. Ik herinner me niet meer hoe ze eruit zag. Volgens mij had ze lichtbruin haar tot op de schouder en een scheve voortand. Ik vertelde over mijn diepere gevoelens voor mijn juf tegen mijn moeder die dat heel amusant vond.

Mijnheer Jansen in de tweede klas had rood haar en veel sproeten. Als hij boos werd – en dat kwam in mijn beleving vaak voor – dan werd zijn hele gezicht nog roder dan zijn haar.

Mijnheer Ruiten van de derde noemden ze altijd ‘Meneer Ruiten met de broek vol spruiten’. Gewoon omdat het rijmde. Mij scholden ze soms uit voor Chinees vanwege mijn kleine, diepliggende ogen. Of ze zeiden: “Roland, bedankt voor de kaart.” Ik vond het vreselijk als ik het gevoel had dat ze de draak met me staken. Ik was gevoelig en onzeker. Mijnheer Ruiten zat vaak te ‘huilen’ achter zijn bureau in de klas. Hij had last van zijn contactlenzen.

Soms hadden we mijnheer De Korte, volgens mij voor rekenen. Een heel lange man met een baard. Op een keer werd hij zo onredelijk boos op me dat ik de klas ben uitgerend, rechtstreeks naar huis. Mijn moeder of vader is toen met me teruggegaan. Ik vond De Korte een enge man.

Mijnheer Giesbers van de vierde – ik weet niet of ik de namen correct spel – was vooral heel keurig gekleed. Volgens mij droeg hij vaak een colbert en een stropdas onder een spencer. En hij droeg gelakte schoenen. Een onberispelijke man, ook qua gedrag. Schoot nooit uit zijn slof, was nooit heel vrolijk. Heel gelijkmatig.

Als reken-docent had ik Wilbers. Ook een rooie. Een man met weinig feeling voor kinderen. “Neem eens een voorbeeld aan je zussen,” verweet hij me op een morgen. “Die doen wel goed hun best.” Ik was gewoon goed in taal, maar heel erg slecht in rekenen. Nog steeds ben ik slecht met cijfers.

Mijnheer Schnitzler van vijf was homo. Dat wist de hele school. “Ga je wassen, je stinkt als een otter,” bitste hij mij ooit toe. Hij had wel gelijk: ik had een hekel aan water en aan de lichamelijke verzorging. Ik meed ook de kapper als de pest. Deze leraar is een periode overspannen geweest of zo. Hij was er een tijdje niet. Dat was fijn, want zijn vervangster – mevrouw Verstraeten, de vrouw van de lieve sigaren-rokende schooldirecteur – was een engel. De liefste juf aller tijden. In de periode dat Schnitzler niet op school was – het kan een paar dagen zijn geweest of een aantal weken, troffen we hem in een kroeg. Hij zat aan de bar van het café waar mijn vader zijn jubileumfeestje bij de Belastingdienst vierde.

Lechner hadden we in de laatste klas, de zesde. Hij verloor op een keer zijn geduld met mij toen hij tijdens de les ‘voortplanting bij mensen’ iets aan me vroeg en ik het verkeerde antwoord gaf, zoiets als dat mannen eierstokken hebben of zo. Hoofdschuddend: “Maar Roland toch!” Hij was de beste leraar ooit. Wisselde hard werken af met ontspanning. We deden als het kon spelletjes zoals dammen en we mochten van hem vaak toneelspelen in de klas. Ik heb altijd gezegd: “Volgens mij wilde Lechner ons een leuk laatste jaar bezorgen.” Met name zijn taalonderwijs was magistraal. Daar heb ik tot op de dag van vandaag profijt van.

Seksuele voorlichting kregen we bij mijn weten niet op school. Thuis ook niet. Althans, mijn ouders – die altijd het goede met ons voor hebben gehad en van ons hielden – hebben ons nooit bij zich geroepen om het een en ander uit te leggen. Ze legden niet op een tactische manier voorlichtingsboekjes op tafel of zo. Maar ze deden er niet krampachtig over, over seks. Ik heb eens aan mijn moeder gevraagd hoe je moet zoenen. Ze heeft me het uitgelegd. En toen ging ze er wel wat dieper op in: “Als je echt van je man houdt, dan doe je als vrouw zijn piemel in je mond.” Het stelde me wel teleur dat ze met mijn oudere zussen had gecommuniceerd dat ik haar in vertrouwen had genomen. Mijn zussen wisten dat ik om kus-voorlichting had gevraagd. Maar mijn zussen reageerden zoals altijd heel lief en behulpzaam, dat dan weer wel.

Ikzelf was preuts. Bij ons thuis deed vooral mijn vader moeilijk over bloot. Hij wilde niet naakt gezien worden door ons, althans niet onder de broeksriem. Hij deed altijd de deur van de badkamer op slot. Misschien dat ik dat onbewust van hem overnam. Als zoon spiegel je je blijkbaar vooral aan je vader en aan diens gedrag. Ik wilde net als papa nooit naakt gezien worden (onzekerheid en schaamte over de piemel, denk ik nu), en al zeker niet door mijn zussen. Ik zag hen evenmin ooit naakt. Ik wilde hen trouwens ook helemaal niet zien in hun blootje.

Mijn vader was een harde werker en erg goed en sociaal in zijn vak. Dat hoor ik van mensen tot op de dag van vandaag. Maar hij was erg bezig met zichzelf. Hij kon hele monologen houden, zelfs tegen ons als puber, over hoe goed hij het wel niet deed op het werk. Ik weet nog dat hij een keer was meegegaan als begeleider tijdens een van de schoolreisjes, in de vierde klas volgens mij. Na dat reisje bleef mijn vader maar benadrukken hoe goed hij Patrick – een beetje een lastige jongen – in bedwang had weten te houden. “Hij was poeslief.” Mijn vader was dus niet zozeer bezig met ons plezier, als wel met zijn eigen uitdagingen en succes.

Dit is zoals alles wat ik over thuis schrijf geen verwijt, maar een constatering of beleving. Het was zoals het was, ik beleefde het zoals ik het ervoer. Niemand is volmaakt. Ik heb me door mijn beide ouders en zussen altijd gedragen gevoeld. Ze meenden en menen het heel erg goed met me, dat is fijn. En ik heb zelf ook altijd mijn uiterste best gedaan om het best mogelijke mens te worden dat ik kan zijn. Een schrijver (blogger) zoals ik die heel persoonlijk durft te worden, schrijft soms dingen die voor anderen te openhartig zijn, maar er zitten totaal geen kwade bedoelingen achter. Ik hou van mijn beide ouders en van mijn twee zussen, en ik voel me geliefd door hen. Ik spaar mezelf niet als ik dingetjes openbaar. Ook over mezelf en vooral over mijzelf ben ik transparant. Er is niks om ons voor te schamen. En niemand heeft schuld. Niemand heeft zichzelf gemaakt en niemand heeft de overstromingen, aardbevingen, blikseminslag, haat, jaloezie en de driften uitgevonden. It’s just the way it is.

Op de lagere school had ik eigenlijk altijd wel vriendjes. Op de middelbare was ik vaker eenzaam, voornamelijk door mijn eigen sociale remmingen en persoonlijke issues. We hadden altijd leuke klassen. De sfeer op de lagere was gemoedelijk. Het onderwijs was niet te streng. Het paste geheel in de lijn van het milde, Bourgondische, katholieke zuiden.

Ik heb er wel spijt van dat ik een van de jongens was die ziekelijke, dikke Edward gruwelijk pestte. Ik deed dat door deze zwakke, weerloze broeder onder de tafel tegen zijn schenen te schoppen met de punt van mijn schoenen. Edward zei er nooit wat van. De leraren hadden zodoende niets in de gaten. Edward had oudere ouders en had blijkbaar een bepaalde ziekte: zijn piepkleine, Indische moeder kwam hem regelmatig zijn boterhammetjes brengen en volgens mij ook pillen. Het pesten stopte toen Edward’s mooie, aanmerkelijk oudere zus alle deuren langsging van alle pestkoppen en hen waarschuwde. Met sommige pestkoppen is Edward niet snel na het bezoek van zijn zus bevriend geraakt. Zijn zus is een heldin.

Er waren wel meer kinderen die werden beschimpt. Gerda had x-benen en een snor. Over haar spraken de jongens niet erg positief. Ik ook niet. Er waren toen nog weinig allochtone kinderen. Jennifer kwam geloof ik van een Engelse of Engels-sprekende familie, Dieter was een Duitser, Peter had net als Edward een Indische moeder en was zelf donker en Eric had een donkere vader (volgens mij van de Cariben) en een Duitse mama. Ik weet nog dat mijn oudste zus en moeder helemaal hotel de botel waren van Eric’s vader toen deze zijn zoon eens kwam afhalen van mijn verjaardagsfeestje. Een charmante, exotische man… dat was wat!

Eric is de enige jongen met wie ik op de lagere school heb gevochten. We hadden ergens ruzie over en toen noemde ik zijn moeder een Mof. Dat lag blijkbaar gevoelig bij hem, want deze grote, sterke beer werkte me meteen tegen de grond en nam me in een ijzersterke houdgreep. Een groep klasgenoten stond om ons heen. Het was op het schoolplein. Ik hoorde sommige meisjes in mijn voordeel schreeuwen, misschien omdat ik de underdog was. Ik bleef onder zijn gewicht en in zijn greep stil op de tegels liggen. Ik dacht: ‘als ik tegenstribbel en me verweer, dan gaat hij misschien echt slaan. Ik kan toch nooit van hem winnen. Hopelijk komt de leraar snel om hier een einde aan te maken’. Het duurde eeuwen voordat Eric losliet. De leraar kwam nooit. Ik geloof dat Eric en ik daarna snel weer vrienden waren.

Ik was geen jongen van het ravotten, stoeien en hutten bouwen. Ik was rustig, stram in de ledematen, verlegen en introvert. Ik keek de kat uit de boom. Ik hield van voetballen, zingen, toneelspelen, spreekstalmeestertje spelen in het zogenaamde circus en van spelen met autootjes en soldaten-poppen en indianen. Het was op zich best een fijne jeugd. Zoals geschreven: ik had altijd wel vriendjes en we speelden veel buiten.

Mijn beste vriendje Michel verhuisde naar de andere kant van het land, naar de Randstad. Dat vind ik heel erg jammer. Maar ik geloof dat we slechts één kaartje na zijn vertrek hebben uitgewisseld. Zo gaat dat, zeker als je nog maar een kind bent. Ik weet nog dat hij me een van zijn speelgoedautootjes gaf als afscheidscadeautje. En dat ik me inhield toen ik hem als bedankje spontaan op de wang wilde kussen.

Behalve de rekenlessen was er voor mij maar 1 echte nachtmerrie overdag op school: als het witte schooltandarts-busje voor kwam rijden en je mee moest naar de praktijk. Toen wist ik hoe de Joden zich voelden in de oorlog, als ze werden meegenomen… Ik chargeer natuurlijk schromelijk, maar het voelde wel als een ramp. “Ik wil niet bij die Chinees!” krijste ik tijdens mijn verzet toen ik naar de behandelkamer moest van de Chinese tandarts. Blijkbaar vond ik hem er niet betrouwbaar of heel eng uitzien.

Dat het busje van de schooltandarts onverwachts voor kwam tijden en dat je zonder dat je was voorbereid werd meegenomen naar de tandartspraktijk, vind ik nu nog mensonterend, kindonterend. Ik begrijp waarom de school het ongewenste bezoek niet een dag van tevoren aankondigde, want dan zouden heel veel kinderen zich met koorts en diarree ziek hebben laten melden, maar toch…

Die schooltandarts heb ik echt ervaren als een hel. Net als het schoolzwemmen. Ik was doodsbang voor en in (diep) water. ‘Het Diepe’ boezemde me zo verschrikkelijk veel angst in! Toen ik, hoewel ik nog steeds niet zonder plankje kon zwemmen, door de badmeester in het vierde bad – Het Diepe – dreigde te moeten springen, ben ik in mijn natte zwembroek naar buiten gevlucht en heb ik me in de bosjes verstopt totdat de zwemles voorbij was. Pas daarna probeerde mijnheer Giesbers van de vierde me persoonlijk vertrouwd te maken met het water, maar de angst zat te diep. Ik verkrampte alleen in het pierenbadje niet. Het is geen wonder dat ik na een traumatische jeugd allerlei angststoornissen heb ontwikkeld die niet te behandelen blijken te zijn. De angst zit bij mij heel heel heel diep en is heel heel heel erg sterk.

De lagere schooltijd was veel fijner dan die op de Middelbare en het HBO. Op de Mavo en Havo was ik vaak eenzaam en alleen. Ik weet nog dat ik tijdens de pauzes van pure ellende bij de watjes ben gaan zitten, bij René Knol en zijn simpele vriendjes (in veler ogen toen). Ik kan me een opstootje herinneren met Rolf. Ik had iets gezegd wat bij hem in slechte aarde viel en toen begon hij erop los te slaan. Ik ontweek zijn vuistslagen – hij was vrij klein en had kleine vuistjes – als een volleerd schaduwbokser. “Het is maar goed dat je zo goed kan ontwijken, anders had hij je helemaal verrot geslagen,” zei een klasgenoot na het gevecht. Het was Roland die me nog heel lang dankbaar is geweest dat ik hem bij geschiedenis altijd liet afkijken, zodat hij een hoger cijfer haalde.

Ik deed er alles aan om hoge cijfers te halen en de beste te zijn. Ik leerde als een gek.  Sommige medeleerlingen stoorden zich aan mijn hoge cijfers en lieten horen jaloers te zijn. Maar ik zag er vrij hip uit en was niet onknap, dus ik was niet de studiebol die werd gepest. Met meisjes was ik op mijn verlegenst en ik was al zo verontrustend, verlammend timide (geworden).

Ik had altijd wel een vrouwelijke klasgenote op wie ik heel lang heel erg verliefd was, maar ik was vooral idolaat van de leraressen Frans. Ik deed alles om door hen leuk gevonden te worden. Vooral heel goed leren en grapjes maken. Als zij mijn cijfers de hemel in prezen en lachten om mijn humor, dan voelde ik me geweldig en groeien. Tennissen, voetballen, tv kijken, uitgaan en de vakanties in Spanje zorgden in die tijd voor mijn levensplezier, net als de vriendschap met Ben, evenmin een macho-jongen. We hebben samen veel leuke dingen gedaan. Maar op een gegeven moment werd hij me te streberig en kon hij alleen nog maar praten over zijn toekomstige carrière, zijn stijldans-diploma’s en over school. Daar werd ik heel erg moe van. Ik vond hem leuker toen hij nog een gemoedelijke dikkerd was die fietsenmaker wilde worden.

Echte drama’s hebben zich in die tijd niet afgespeeld op of rondom school. Geen zelfmoorden of zo. Het was een nette, overwegend witte school van voornamelijk middenklas-gezinnen en vrijwel alle leraren deden vrij normaal. Conrector Kruijtzer stond te boek als erg streng, maar er werd vooral geginnegapt over zijn toupet. De school en daarmee de leerkrachten en scholieren werden niet verteerd door strenge, religieuze dogma’s of zo. In die tijd waren drugs ook nog niet zo gangbaar. Er was één jongen – ik ben z’n naam kwijt – die heel alternatief was – het type kunstenaar – en die volgens ons wiet rookte of in elk geval zware shag. Dat was het wel zo’n beetje.

De School voor de Journalistiek in Utrecht was destijds een rood, socialistisch bolwerk waar het principe van ‘vrijheid, blijheid’ gold. Goed bedoeld, maar er zat weinig lijn in en te weinig dwang achter. Vrijwel geen sturing. Het was allemaal heel vrijblijvend, ongestructureerd en dus totaal niet schools. De leraren deden maar wat. Geen (noemenswaardige) tentamens, geen huiswerk, weinig moeilijke opdrachten, geen persoonlijke begeleiding. Destijds een opleiding van vuil kraanwater en een druppende kraan waar nooit een loodgieter naar kwam kijken. Ik herinner me een heel mooie, lange, slanke donkere Frans-lerares en een oude Frans-leraar die te veel dronk en wiens broer in de gevangenis zou zitten. En verder was ik er vooral eenzaam, en braken de treinreizen – na een verschrikkelijk jaar bij een hospita – me op.

“Ik ben van heel ver gekomen.” Mijn schoolgenoot en schoolvriend Gerben was van de ene op de andere dag – zo leek het – veranderd van een knappe maar stille en teruggetrokken jongen in een populaire, extraverte meisjesversierder. Hij had opeens heel veel uitstraling en dat viel in de smaak bij de meisjes en sommige leraressen en leraren. Wat Gerben precies had meegemaakt en hoe hij boven Jan was gekomen, vertelde hij niet, maar de metamorfose was indrukwekkend.

Veel meer valt er niet over te vertellen, over die periode. Ja, misschien dat puistenkop Anita een oogje op me had, terwijl ik meer geilde op kleine, Indische Ginny? Anita is me een keer achterna gereisd, in dezelfde Intercity van Utrecht naar Maastricht. Toen ik op het station van Roermond uitstapte en zij naar me toeliep met een grote glimlach baalde ik als een stekker. Ik verzon een smoes, dat ik meteen door moest, tennissen of zo. Ik vond Anita heel aardig, maar ik wilde niet dat ze verliefd op me was. Ik vroeg haar wel nog waarom ze naar Roermond was gekomen (in dezelfde trein als ik) en ze antwoordde dat ze gewoon zin had om te treinen. Dat was volgens mij net zo goed een smoes. Ze wilde mij zien. Denk ik.

Ik heb altijd – na de lagere school althans – de neiging gehad om me te bekommeren om zielige mensen die alleen zijn en die door anderen verstoten worden. Op de middelbare school was dat Henk met zijn ene blauwe en ene rode oog, z’n eeuwige klompen en vreemde Mongolen- uiterlijk. En op de SvdJ waren dat Anita en Marko. Maar er kwam altijd weer een moment waarop ik genoeg had van deze mensen en ze alsnog emotioneel en existentieel pijn deed, na alle aandacht die ik ze had gegeven, gewoon door ze bruut aan de kant te zetten. Als voor mij de maat vol was en ik het niet langer kon verdragen, dan werd ik bot. Ik bedoelde het – zeker aanvankelijk – heel goed, maar misschien wilde ik een beter mens zijn dan ik was… Of ben.

http://www.rolanddanckaert.nl

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s