De eerste junks

Jeanine was een van de eerste drugsverslaafden van en in onze stad, een middelgrote maar snel groeiende provinciestad met welgestelde ondernemers, een groeiende middenklasse van ambtenaren, fabrieksarbeiders en werklozen.

Het was eind jaren zeventig, de tijd van de visnetten en discobollen aan het plafond, sigaretten in glaasjes, elektrische gitaren en de hoogtijdagen van de popmuziek alsmede van de muziektijdschriften en muziekprogramma’s voor jongeren. Het waren de jaren van de omstreden kernenergie en kernwapens, van de tennis-hegemonie van de Zweed Björn Borg die Jimmy Connors van de troon stootte, van de nieuwe vrede tussen Egypte en Israël, de politieke conferences van Wim Kan, de hoogtijdagen van het vaderlandse wielrennen met Jan Raas als sprintkoning, de krakersbeweging, de heerschappij van ayatollah Khomeini die van Iran een islamitische republiek maakte en de Russische inval in Afghanistan.

Volop werd er door met name de jeugd geëxperimenteerd met marihuana, lsd en heroïne. Dit gebruik waaide over uit Amerika, zoals zoveel trends in Europa. De mens zocht naar methoden om zich voorgoed te bevrijden van levenspijn, depressies en de beperkingen van het eigen lichaam en de eigen geest. De jeugd werd steeds vrijer (opgevoed) en mondiger. Er werd dikwijls massaal gedemonstreerd tegen van alles en nog wat. De burgers en met name de scholieren en studenten begonnen zich steeds meer te roeren en namen het gezag steeds minder serieus en voor lief.

De wijde broekspijpen, fel gekleurde stropdassen en spencers en de bakkebaarden begonnen al een beetje uit de mode te raken. Een nieuwe muziek- en modetrend klopte op de deur: de new wave en new romantic. Hippe jongens trokken met een oogpotlood lijntjes onder de ogen, hulden zich in witte piraten-bloezen en droegen hun kuif naar beneden, tot over de wenkbrauwen en soms tot over één oog. Meisjes lieten hun haren kort knippen, in een hip model. Riemen en laarsjes met zilveren noppen droegen ze.

Mijn moeder begon te werken, in een wol-zaak. Ze reed rond in een oranje mini-cooper met zelf-gehaakte gordijntjes voor de raampjes achter. Vader had een vaste, zekere baan bij de overheid. We kwamen financieel en dus op het gebied van eten, drinken, kleding en vertier niets tekort. Mijn moeder betaalde meestal onze kleren. Ze was erg royaal en vrijgevig.

Het was de tijd van het wekelijkse of maandelijkse zakgeld dat je van je ouders kreeg om leuke dingen voor jezelf te kopen of te doen. Jongeren gingen chips eten en cola drinken op de bankjes op de stadspleinen en deden (enigszins verplicht/aangemoedigd door de ouders) aan muziek, sport en stijldansen. De jeugd ging en masse uit op vrijdag- en zaterdagavond en dronk er lustig op los.

Mijn twee oudere zussen waren voor mij de trendsetters. Ik wilde vooral in de smaak vallen bij mijn oudste zus. Wat zij tof vond, vond ik automatisch helemaal te gek. Haar smaak was mijn smaak. Zij was op het gebied van mode en muziek mijn grote voorbeeld. Ik keek tegen haar op, huizenhoog.

Maar als jonger broertje vond ik het niet altijd leuk dat mijn zussen het bijna altijd over knappe jongens hadden. Ik kon daar niet over meepraten en viel er daardoor nog meer buiten. Zij hadden thuis elkaar, ik had mijn moeder. Ik hoorde niet echt bij de jeugd binnen het gezin, misschien dat ik daardoor vaker en liever met volwassenen praatte, zoals met ooms en tantes, alhoewel ik het heel leuk vond om met mijn jongere neefjes en nichtjes te spelen. Was ik eindelijk de oudste, de leider. Thuis was ik het kleine broertje.

Dat vond ik niet altijd een fijne rol. Ik kon me niet meten met de oudere, knappe vrienden en vriendjes van mijn zussen. Ik was te klein, te jong, te bleu. Dat was overigens niemands schuld. Dat brachten de situatie en leeftijdsverschillen met zich mee. Wat ik wél als aangenaam ervoer, is dat er tevens leuke, lieve en mooie vriendinnen van mijn zussen over de vloer kwamen, al was ik ook voor hen het kleine, lieve broertje van…

Later hoorde ik dat sommige van die vriendinnen mij meer dan leuk vonden. Ik was dan ook best knap, koddig en schattig. En heel erg verlegen. Meestal maakte ik me uit de voeten als er bezoek kwam.

Ik kan me herinneren dat ik op een avond mijn zus en een van haar vriendinnen die bij ons bleef logeren thuis hoorde komen en dat ik maar snel deed alsof ik sliep. Ik sliep met de slaapkamerdeur open (misschien omdat mijn kleine maar knusse kamertje anders nog kleiner leek). Die vriendin zag me liggen (slapen, zogenaamd). Mijn zus was nog beneden. De logé sloop mijn kamer binnen – ik kon het met gesloten ogen voelen, ‘zien’ en horen – en ze kuste me heel teder op mijn wang, alsof ze werkelijk van me hield en me altijd al had willen liefkozen, lijfelijk. Ik voelde toen ze dichterbij sloop wat ze ging doen (mij kussen dus), en verkrampte helemaal. Ik hield mijn adem in, terwijl mijn hart tekeer ging. Ik wist me geen raad met deze kus, of ik er blij om moest zijn of me er opgelaten door moest voelen…

Mijn oudste zus was erg gesteld op muziek, sociale contacten en uitgaan. Mijn vader vond soms terecht en vaak onterecht dat ze met verkeerde mensen optrok, zoals ‘buitenlanders’. En dat ze naar de verkeerde kroegen ging. Kroegen waar slecht volk kwam, die een slechte reputatie hadden. Ik kan me zijn bezorgdheid goed voorstellen. Maar het zorgde thuis voor nog meer spanningen, mede doordat mijn oudste zus zich dikwijls niet aan de afspraken hield betreffende het tijdstip waarop ze zou thuiskomen van het nachtelijk amusement. Hoe vaak heb ik wel niet met mijn moeder voor het raam van de woonkamer, in het donker, staan turen en hunkeren naar de bocht in de straat rechts van ons in de hoop dat ze weldra zou verschijnen?

Mijn moeder was dan zeer ongerust en kon van de zenuwen nauwelijks praten en ik was ook verontrust. Mijn moeder werd evenwel nooit echt boos op ons, in tegenstelling tot mijn vader die juist heel erg boos werd als iets hem niet beviel. Mijn vader en moeder waren en deden verschillend als dag en nacht en waren nooit een eenheid, nooit een team. Integendeel. Ze waren twee uitersten. Vijanden bijna. Of laat dat bijna eigenlijk maar weg…

Het occulte hield mijn oudste zus in die tijd best wel bezig. Ze had het vaak over spoken en zo. Kon er heel erg spannend en angstaanjagend over vertellen en schrijven. Af en toe deed ze glaasje draaien om dode mensen, geesten, op te roepen. En ze probeerde met cassetterecorder-opnames geluiden van geesten te ‘vangen’. Volgens mij heeft mijn zus ooit een vriendin – die bij ons bleef slapen – de stuipen op het lijf gejaagd door ’s nachts op haar kamer een cassettebandje af te laten spelen met allemaal enge geluiden…

Via een van haar vriendinnen kregen we de beschikking over een soort orakel-bord met kaarten. Dan moest je in jezelf een vraag stellen, zoals ‘blijf ik gezond?’ en dan kaarten trekken of zoiets. Ik raakte min of meer verslaafd aan het spelen van dat spel, deed het wel vijf keer achter elkaar, iedere dag. Hopend op een betere uitkomst. Maar ik oogstte alleen maar slechte en steeds slechtere kaarten, dood en verderf… Enigszins illustratief voor mijn leven(sloop).

Jeanine (gefingeerde naam) was een van de beste vriendinnen van mijn oudste zus. Ze kwam uit een welgestelde accountants-familie. Ik weet eigenlijk weinig over haar leven, thuissituatie, lot en karakter, dus daar ga ik maar niet over uitweiden. Ik weet alleen dat ze de verkeerde mensen tegenkwam en vertrouwde, dat ze zich door wat voor oorzaken dan ook op een verkeerde wijze liet beïnvloeden en verslaafd raakte aan drugs. Ik meen dat ze zelfs heeft getippeld – al dan niet gedwongen – om aan het geld voor haar verslaving te komen. Mijn zus heeft geprobeerd er voor haar te zijn en haar op het rechte(re) pad te brengen, maar de addictie was sterker dan wat of wie dan ook. Jeanine overleefde het helaas niet.

Maar dat was me wat… verslaafden in ons eens zo keurige stadje. Nou ja, keurig. Er was een uitgaansstraat waar het vrijwel iedere zaterdagavond of zaterdagnacht tot een clash kwam tussen politie en gewelddadige (vaak dronken en gedrogeerde) jongeren, overwegend van buitenlandse afkomst (het is helaas niet anders). Het verhaal ging dat de politiemannen niet door die straat durfden te rijden zonder de portieren van hun wagen op slot te doen.

Drugs en ontspoorde jongeren van voornamelijk migrantenouders vergiftigden onze stad dus langzaam maar zeker. Jeanine was een van de eerste slachtoffers. Helaas, want ze was een heel mooie brunette, een heel lieve, leuke, spontane en intelligente meid, net als mijn zus die ook niet vies was van avontuur en van ’t randje, maar nooit té ver ging.

Burgerlijk is de stad altijd gebleven. Het is geen heel erg progressief oord waar kunstenaars, transgenders, homo’s en paradijsvogels worden omarmd, geïnspireerd worden, veel vrienden maken en met rust worden gelaten, zoals in Amsterdam. Daarvoor is het toch te veel een kleinburgerlijke provinciestad.

Tijdens mijn jeugd liep er een jongen in de stad die vrouwenkleren en make-up droeg. Ik meen dat die gast later zelfmoord heeft gepleegd. In onze stad was hij als zodanig de enige uitzondering en hij werd door iedereen nagekeken en toch ook wel weer vermeden. Wat moet hij zich eenzaam en onbegrepen hebben gevoeld… Net als Jeanine tijdens haar aftakeling/verslaving, maar dan op een andere manier: door de machtige drugs dreef ze machteloos steeds verder af van zichzelf, de anderen en haar toekomst en belandde ze in een zuigend, moordzuchtig moeras…

http://www.rolanddanckaert.nl

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s