De Voetbaltrainer

Toen ik elf of twaalf jaar was, ging ik bij de voetbalclub. Ik had altijd al op straat en veldjes gepingeld, maar als je als voetballer wat wilde bereiken, dan moest je bij een club. Dan pas speelde je echte wedstrijden, dan pas ging het ergens om. Het échte werk.

Ik meldde me aan bij Swift, de club met witte broeken, korenblauw shirt (al dan niet met witte boord) en blauwe sokken met witte rand. Het sportcomplex van de club lag wijdverspreid op een steenworp afstand van de oevers van de Maas, vlak buiten het stadscentrum. Bij de oude legerkazerne was dat. Later werden er vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië in caravans ondergebracht en nu bevindt zich er een van de grootste commerciële en kapitalistische gedrochten van de mensheid, een outlet centrum waar je dure merkproducten tegen gereduceerd tarief kunt aanschaffen. Uit heel Duitsland, China, Japan en Rusland komen ze er een weekendje of dagje shoppen. De binnenstad laten deze koopjesjagers links liggen. Het stadscentrum bloedt langzaam maar zeker dood. Veel winkelpanden staan leeg. De oude bioscoop is niet meer als cinema van de nieuwste films in gebruik. Er moet een andere bestemming worden gevonden voor veel monumentale panden in het stadshart, anders ontaardt het in één grote sloppenwijk, in vergane glorie.

Eerst werkte ik een proeftraining af. Ik scoorde meteen vier keer. Allemaal intikkertjes. “Die nieuwe, die vind ik echt helemaal niks,” hoorde ik een jongen tegen een medespeler over mij fluisteren na de training. Jaloezie vanwege die vier goals of een objectieve mening over mijn spelkwaliteiten?

Hans heette mijn eerste trainer. Hij was mijn leukste en beste coach ooit.

Ik zat ook nog op tennis, bij een club dat gravelbanen had naast het treinspoor, iets buiten een mooi kasteelpark met grote, oude bomen en bloemrijke struiken. Heel veel bruidsparen laten daar hun trouwfoto’s nemen. Hebben mijn vrouw en ik ook gedaan, bij de rodondendrons. Op de tennisclub waren de mensen minder volks, wat beschaafder en rustiger. Een ander slag volk dan bij de voetbalclub. Prettiger, vond ik. Ik was een rustige, verlegen jongen, eentje die de kat uit de boom keek en wat afstandelijk bleef, tenzij het echt klikte.

Ik was geen slechte tennisser, maar had geen buitengewoon talent. Ik zat op een gegeven moment in het team dat competitie speelde, maar mocht meestal alleen de mixed-doubles spelen, het minst gewaardeerde onderdeel in het tennis. Saskia – een wat mannelijke brunette met krulletjes en bril  – was mijn partner. Zij was een betere speler dan ik. Een heel leuke, aardige meid, buitengewoon goedlachs. Jeroen was onze beste kracht. Een Indische jongen, lang, lenig en sterk. Met een van zijn zussen heb ik later nog op een redactie gewerkt. Zij vertelde me dat Jeroen zichzelf van het leven had beroofd: hij werd gevonden in zijn uitgebrande auto, helemaal verkoold. Die collega had niet veel geluk. Ze kreeg een relatie met een fotograaf die zo jaloers was dat hij haar meermaals bedreigde, verbaal en fysiek. Deze jongeman was zo ziek, dat hij verzon dat hij kanker had. Waarop de hoofdredacteur zei: “Hij is nog zieker dan we dachten.”

Jeroen kon veel harder slaan dan ik, maar we hebben ooit eens een partijtje tegen elkaar gespeeld, en toen maakte ik het hem knap lastig, dankzij de aanwijzingen van onze coach Mark, een krullenbol die nog meer van basketbal hield dan van tennis. Mark wist hoe ik het spel van Jeroen kon ontregelen: door zachte en harde ballen af te wisselen en mijn slagen te spreiden, zodat hij niet in zijn ritme kwam. Jeroen werd kribbig en ongeduldig, omdat hij het tegen een veel slechtere opponent knap lastig had. Zijn slechte humeur was mijn grootste overwinning. Zo wist ik dat ik het goed deed. Ik had nooit gedacht dat ik het hem zo moeilijk kon maken.

Hans kon ontzettend goed met kinderen omgaan, speciaal met wat verlegen en gevoelige jongens. Hij was zelf sensitief, daarom waarschijnlijk. De andere trainers waren van die echte kerels die vooral naar de drukke, schreeuwerige jongens luisterden, die de haantjes-de-voorste alle aandacht gaven. Hans niet. Hans kon met iedereen goed opschieten, maar hij wist met name de timide jongens vertrouwen te geven en te motiveren.

In mijn tweede officiële wedstrijd bij de D2 of D1 – ik weet het niet precies meer – spoorde Hans me vanaf de zijlijn aan om acties te maken. Ik speelde als rechtsbuiten. Ik kon goed vrij lopen en had een aardige voorzet en passeerbeweging in huis, al was ik niet snel. Blijkbaar zag deze trainer dat ik potentie had. Op de trainingen was ik dan ook best goed, een van de beteren. Tijdens wedstrijden, met fellere tegenstand en dat ongestructureerde flipperkast-voetbal, vond ik meestal mijn draai niet. Maar in die tweede wedstrijd scoorde ik twee keer en bereidde ik een paar goals voor. Een van de vaders riep me onofficieel uit tot beste speler van de wedstrijd. In twee seizoenen tijd zou ik echter nog maar één keer scoren.

Mijn derde treffer maakte ik, nadat ik de wedstrijd ervoor boos van het veld was gelopen, omdat Erik – een andere trainer – zich constant hardop aan mij zat te ergeren. Ik speelde onvrijwillig heel erg slecht en hij bleef maar op me mopperen. Je kon en kan mij niet motiveren door me negatief te prikkelen. Je moet mij vertrouwen geven, en niet mijn spanningen en frustraties verergeren. Op een gegeven moment was ik zijn afzeiken zo beu, dat ik kwaad maar zonder wat te zeggen van het veld ben gestapt, mijn tas pakte en het hele eind terug naar huis ben gelopen.

Met lood in de schoenen ging ik de volgende training weer naar de club. Ik vond het moeilijk om na dit incident de trainer, medespelers en enkele vaders die er altijd bij waren onder ogen te moeten komen, maar ik zette me over de drempel heen. Er werden niet veel woorden meer aan mijn wegloop-actie vuil gemaakt, geloof ik. Erik, de coach, heeft het met me uitgepraat, en tijdens de volgende wedstrijd tikte ik een corner binnen. Mijn revanche.

Ik maakte tijdens die eerste proeftraining dus meer goals dan in mijn hele ‘competitie-carrière’. Maar ik was wel goed voor menige assist. Goals maken, zat niet zo in mijn aard en systeem.

Hans was toen onze coach al niet meer. Helaas. In de C-jeugd kreeg ik een trainer – ook een Hans – die mij niet zag staan en zitten. Hij posteerde me als linksbuiten, een plek waar ik niet tot mijn recht kwam. De jongen die op mijn plek stond – als rechterspits – was vanwege zijn humor en praatjes populair en deed het goed. Ik voelde dat ik mijn plekje op het veld kwijt was, voorgoed. Met die jongen kon ik me niet meten.

Tot overmaat van ramp was mijn aartsvijand van school – ene Mark – mijn ploeggenoot geworden. Tijdens schoolvoetbal had ik hem eens alle hoeken van het veld laten zien en ik had iets met zijn ex, twee dingen die hij me kwalijk bleef nemen. Toen ik tijdens een van onze eerste gezamenlijke wedstrijden verschrikkelijk slecht speelde – vooral omdat ik het warme bad miste van een aangename trainer en leuke teammaten – bleef die Mark verbaal op me inhakken. De maat was voor mij vol. Ik vond er geen zak meer aan en ging van voetbal af.

Hans, mijn eerste en beste trainer, kwam ik daarna nog weleens in de stad tegen. Hij droeg dan een een lange, lichte regenjas en een rond brilletje. Hij heeft me nog een paar keer willen overhalen om mee te doen aan een piramidespel waar hij goed geld mee zei te verdienen. Ik voelde er niks voor. Ik voelde dat Hans een beetje op een dood spoor zat op dat moment, en luchtkastelen bouwde.

Net als ik had hij een moeilijke vader die net als mijn ouwe bij de belastingen werkte. “Echt zo’n ambtenaar,” zei Hans afkeurend. Een paar jaar later, toen ik hem weer toevallig tegen het lijf liep, zei Hans verbitterd-blij dat zijn vader dood was. “Maar goed ook.”

Een gevoelige man. Ik weet nog dat hij als trainer tegen me zei, dat hij teleurgesteld was in mij, omdat ik niet naar een diploma-uitreiking was gekomen van zijn trainerscursus. Hij had op me gerekend, trots als hij was op zijn promotie als jeugdtrainer. Dat had hij ook met mij willen delen.

Volgens mij voelde Hans zich enigszins met mij verbonden, omdat we allebei sensitief waren. Hij begreep me en voelde zelf ook wel aan dat ik hem graag mocht en dat ik onder zijn vleugels opbloeide, op en buiten het veld. Ik zweeg toen Hans me dat verwijt maakte. Ik wist niet wat te zeggen. Ik vertelde hem niet de waarheid. Dat ik er te erg tegenop had gezien om naar een happening te gaan met veel onbekende mensen en op een voor mij onbekende plek. En misschien was er ook wel wat leuks op tv dat ik niet wilde missen…

http://www.rolanddanckaert.nl

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s