De Wiskundeleraar

Op rekenkundig gebied ben ik zwakbegaafd. Dat bleek op de lagere school al snel. De onderwijzers werden net als ikzelf en mijn ouders wanhopig van mijn onvermogen om de breuken te snappen. De tafeltjes uit mijn kop knallen, dat ging nog wel, en delen, optellen en aftrekken ook, maar de breuken nekten me. Daardoor lag ik met rekenen een klas – minstens een paar maanden – achter op de rest.

In taal was ik redelijk goed. Niet heel goed, maar goed genoeg, zeg maar. Ik was achteraf gezien vooral een heel creatief en gevoelig kind. Ik hield van zingen, toneel spelen, voetballen (pingelen) en voorlezen. Als kleine jongen zong ik op het gras in de achtertuin van ons ouderlijk huis Nederlands-talige liedjes, zoals Ik ben Gerrit en ik steel als de raven, ik ben een boef in het land der braven. Het handvat van een springtouw gebruikte ik als microfoon.

Mevrouw Frielink, de buurvrouw, heeft me ooit een kwartje (25 gulden-cent) gegeven voor mijn buiten-optreden. Een heel lief gebaar. Maar zij was dan ook een heel lief mens. Ze was zo’n buurvrouw die soep kwam brengen als mijn moeder ziek was en die het in huis altijd gezellig maakte met thee en biscuitjes. Ik weet nog dat ik eens met natte haren op de oprit stond en dat mevrouw Frielink tegen mijn vader zei: “Roland is net zo’n Engels kostschool-jongetje.” Ik wist toen niet of ik dat als een compliment moest opvatten of als een belediging. Mijn vader antwoordde: “Ja, nu zijn z’n haren nat en plat, maar anders ziet hij er wel leuk uit.”

Mijn vader heeft wel eens geprobeerd om me de breuken uit te leggen, maar net als de onderwijzers had zelfs hij weinig geduld met me en weinig begrip voor mijn onkunde. Bovendien kon hij net als de leerkrachten niet goed uitleggen. Iets goed kunnen uitleggen, betekent dat je iets begrijpelijk kan maken voor iemand die er echt helemaal niets of weinig van snapt. De meeste mensen die iets uitleggen, beginnen al te moeilijk en willen te snel, die starten niet vanaf nul. Omdat ze het zelf zo goed snappen, kunnen ze zich niet verplaatsen in de ander.

Ondanks mijn slechte rekenvaardigheid ben ik nooit blijven zitten. Zelfs niet op de middelbare school, de Rijksscholengemeenschap in Roermond, gelegen aan de Jagerstraat, tegenover de sportvelden. Het was een wit, modern gebouw, van binnen onderverdeeld in kleuren, letters en cijfers. Ik geloof dat het A-gedeelte van het gebouw blauw was, het B-gedeelte groen en het C-gedeelte geel of oranje, maar ik kan er naast zitten. In het A-gedeelte werden de pretpakket-vakken gegeven (talen, Geschiedenis, Maatschappijleer, Handelskennis en Aardrijkskunde), in het B-gedeelte Natuurkunde, Wiskunde, Scheikunde en Biologie en in het C-vak de creatieve vakken zoals Handvaardigheid en Muziek. Althans, zo staat het me bij.

Hoewel ik van de natuur en van muziek hield, had ik een hekel aan ‘Muziek’ en ‘Biologie’. Deze vakken werden op een manier gegeven die ik oersaai vond. Hoe konden ze van zulke interessante en leuke disciplines zo’n oninteressant vak maken?! De leraren die deze vakken doceerden, waren net als de Nederlands-docenten verschrikkelijk saai. Het leukste – op de meest attractieve wijze en door de leukste leraren – werden Geschiedenis, Aardrijkskunde, Engels en Frans gegeven, vond ik.

Handvaardigheid vond ik verschrikkelijk. Echt verschrikkelijk. Ik heb twee linkerhanden en had reeds als kind een bloedhekel aan kleuren en knutselen. Ik weet nog dat de Handvaardigheid-leraar een soldeerwerkje of zoiets van mij beoordeelde, mijn cijfer noteerde (een 5 geloof ik) en mijn broddelwerk regelrecht in de prullenbak smeet. Dat ding stond naast hem. Zonder mij nog een blik waardig te gunnen of iets tegen me te zeggen. Zo tactloos! Leraren kunnen soms zo slecht met kinderen omgaan!

Spreekbeurten geven, dat was voor mij een nachtmerrie, omdat ik leed aan heel hevig blozen en daarmee gepaard gaande bloosangst. En ik had al zo’n hekel aan de permanente rode blosjes op mijn wangen. Die rode konen vond ik stom en ontsierend. Ik kan me spreekbeurten herinneren over een indianenstam in het amazone-woud en over de kerkuil (op basis van artikelen in een tijdschrift van mijn ouders en via informatie uit de encyclopedie). Voor Muziek had ik het over free jazz, omdat ik bij mijn oudste zus op de kamer toevallig een LP (langspeelplaat van vinyl) had gevonden.

Tijdens de hierboven laatst vermelde spreekbeurt werd ik weer vuurrood. Het was een martelgang. Mijn hoofd leek in brand te staan en moet roder zijn geweest dan ooit. Ik weet nog dat een meisje van school na de gymles tegen me zei: “Wat heb jij een rode kop.” En ik zat er al zo mee in mijn maag. Na de spreekbeurt foeterde de muziek-docent tegen de hele klas waarom we een spreekbeurt als zo verschrikkelijk ervaren. “Dat zegt hij, omdat jij zo rood werd,” fluisterde mijn buurman en vriend Ben tegen me. Heel goed voor mijn zelfvertrouwen.

De muziekleraar vond dat we een voorbeeld moesten nemen aan Peter die een geweldige spreekbeurt had gegeven over Elvis Presley en die zo ontzettend goed en mooi een nummer van The King had vertolkt, terwijl hij zichzelf op gitaar begeleidde. Die Peter voelde zich pas vrij voor de klas, pochte de leraar.

De tirade van de muziekleraar heeft me niet geholpen, integendeel. Ik voelde me door hem te kakken gezet. Ik voelde me onbegrepen en aan mijn lot overgelaten. Wat hebben leraren toch zelden het vermogen om kinderen met duidelijke problemen op een juiste manier te benaderen! Hun eigen onvermogen! Ik weet niet wat die docent in mijn geval – naar mij toe – had moeten doen, maar niet mij voor de hele klas bestraffend toespreken!

Had hij me na de les niet even apart kunnen nemen om in alle rust – vertrouwelijk, vaderlijk en bekommernisvol – te praten over mijn spreekangst en hevige blozen?

Op de Mavo en later de Havo waren mijn prestaties uitzonderlijk goed. Ik deed dan ook meer dan mijn uiterste best om te presteren en hoge cijfers te halen. Op de lagere school was ik een heel gewone leerling, niet heel slecht en niet opvallend goed. Op de middelbare gaf ik gas. Ik wilde revanche nemen voor de Cito-toets die ik dermate had verknald dat ik alleen maar naar het LBO kon, het Lager Beroeps Onderwijs. Mijn vader en de directeur van de lagere school hebben moeten praten als Brugmannen om mij op een Mavo te krijgen. Toen de Rijks me een kans gaf, wilde ik de hele wereld laten zien wat ik waard was. En dat is gelukt. Ik heb het tot het HBO geschopt. Zo zie je maar, zo’n Cito-toets zegt niet alles.

Echter, met Wiskunde – weer dat verdomde rekenen – had ik op de Mavo de grootst mogelijke moeite.

Tot overmaat van ramp hadden we een heel erg strenge en ongeduldige leraar voor dat vak, mijnheer Maassen (ik weet niet of ik zijn naam goed spel). In mijn beleving droeg hij altijd een licht, geruiten colbertje, had hij een bleke huid, een gedrongen postuur en een wat pafferig gezicht, woonde hij in België, had hij een tamelijk dikke bril op en had hij zwart, plat haar. Maassen stuurde heel vaak iemand de les/klas uit, vaker dan welke andere leraar dan ook.

Als hem iets niet beviel, dan pakte hij een enorme stapel lege vellen papier en die gaf hij je mee als hij je de gang op stuurde. Die vellen moesten helemaal vol bij hem worden ingeleverd (met strafregels denk ik), dezelfde dag nog of de volgende morgen. Ik durf niet met zekerheid te zeggen of ik er door hem ooit ben uitgestuurd. Ik was een vrij brave leerling. Het enige dat ik me permitteerde is, dat ik er af en toe – uit het niets – een grap uitgooide en dat de hele klas dan dubbel lag. Maar dat durfde ik niet bij leraren als Maassen! En ik herinner me, dat ik bij Maatschappijleer altijd het hoogste woord had. Ik vond het toen al leuk om te discussiëren en analyseren. Dat heb ik van mijn vader.

Ook Maassen kreeg mij niet aan het rekenen. Ik snapte er gewoon geen bal van, van die sommen! Oh, wat haatte ik dat vak! Ik deed maar wat. Naar iedere Wiskundeles ging ik met lood in de schoenen toe.

Op een morgen riep Maassen mij bij zich, klassikaal. “Danckaert, hier komen met je cijferlijst.” Het leek het leger wel! Ik werd trouwens uitgeloot voor militaire dienst. Gelukkig maar, want alleen al de keuring voor de dienstplicht – met al die drukke, lelijke, schreeuwende jongens van mijn generatie – heb ik als traumatisch ervaren. Ik stond zelfs met een pisvlek in mijn onderbroek voor de legerarts.

Maar goed, ik naar voren, naar Maassen, toe met mijn agenda waarin we – achterin, meen ik – onze punten moesten noteren. Eigenlijk vond ik het heel fijn dat Maassen mijn puntenlijst wilde zien, want ik had voor alle andere vakken – zelfs voor Scheikunde en Natuurkunde – (tamelijk) hoge cijfers. Zwijgzaam bekeek Maassen mijn resultaten. Hij zei niets, maar ik voelde dat hij onder de indruk was van mijn verdere schoolprestaties. “Danckaert, ga maar weer zitten.”

Na dit intermezzo heeft Maassen me voor mijn gevoel altijd met (meer) respect bejegend. Hij nam me mijn slechte cijfers voor Wiskunde niet meer kwalijk. Hij heeft het nooit tegen me gezegd, maar ik weet zeker dat hij in heeft gezien dat Wiskunde gewoon niet mijn discipline is. Niet dat hij de moed opgaf om me toch iets meer van zijn vak bij te brengen, maar hij liet me wel met rust. Zijn houding ten opzichte van mij was veranderd. De wijze waarop hij naar me keek en tegen me sprak, verschilde met vroeger. Dat vond ik natuurlijk heel erg prettig.

Zo snel als ik kon liet ik Wiskunde vallen, net als Biologie, Natuurkunde en Scheikunde. Eindelijk verlost van dat verdomde rekenen!

http://www.rolanddanckaert.nl

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s