De Voetbalrellen

Over mijn moeilijke, zware jeugd heb ik al heel lang en heel veel bericht. Maar ik herinner me wel degelijk gezellige tv-avondjes, leuke familiebezoeken, vlaai op zaterdagavond, lekkere maaltijden, een fijne rondreis door eigen land met mijn ouders en heerlijke vakanties in Torrevieja, Spanje. En, last but not least: het bijwonen van heel veel wedstrijden in het Nederlandse betaalde voetbal plus een kwalificatiewedstrijd van Oranje tegen Malta die werd afgewerkt in Aken.

Mijn vader en ik waren en zijn allebei voetbalfanaten. We keken op tv niet alleen naar de Nederlandse competitie, maar ook naar de Duitse en de Belgische. Papa was in zijn jeugd in Zeeland naar eigen zeggen een razendsnelle rechtsback die het de beste buitenspelers moeilijk maakte dankzij zijn verbetenheid, slidings, snelheid en tackles. Soms waren er mensen van de tegenpartij die aan zijn trainer vroegen wie die snelle rechtsback eigenlijk was.

Hoewel mijn vader altijd heeft beweerd geen voorkeur te hebben voor een club, vond ik hem altijd erg enthousiast over Feyenoord. Ik ben al mijn hele leven voor Ajax. Volgens mij wilde papa me niet voor het hoofd stoten door toe te geven voor de aartsvijand van Ajax (en dus van mij) te zijn, en was hij bang dat onze toch al turbulente relatie anders helemaal zou verslechteren of doodbloeden.

De wedstrijden van mijn favoriete club sloeg ik nooit over. Maar het allerleukste was toch zelf pielen met die bal. Ik was een balverliefde pingelaar, een technische maar langzame rechtsbuiten met een redelijke steekpass en een afgemeten voorzet.

De (lange) gesprekken met mijn vader gingen bijna altijd over voetbal. Daarin konden we elkaar vinden. Hij is trouwens nog trainer geweest van het ambtenarenteam, ASOV genaamd, als ik me niet vergis.

Met mijn vader en moeder – ik was niet graag alleen met mijn vader – bezocht ik gedurende vijf, zes jaar heel veel wedstrijden in het betaalde voetbal. Tijdens mijn puberteit was dat. Het vaakst gingen we naar Roda JC in Stadion Kaalheide in Kerkrade. Dan moest je de auto redelijk ver van het sportcomplex langs de kant van de weg parkeren, in een buitengebied, langs een doorgaande weg. Vandaar was het nog tien minuutjes lopen naar het sportcomplex. We stonden meestal op de onoverdekte staantribune, schuin achter de goal. Het voetbalveld werd omzoomd door een sintelbaan, een atletiekbaan dus. De afstand van de tribune tot het veld was daardoor vrij groot. Wat er aan de overkant van het veld gebeurde, was niet altijd even goed te zien en te volgen.

In de begintijd dat we naar Roda JC gingen, stonden we vaak tegen de dranghekken aangedrukt. Het stadion zat in die tijd propvol en de mensen stonden rijendik op de tribunes samengepakt, zelfs in de ‘gangpaden’. Heel benauwend.

Heel leuk vond ik het, dat ik na een Roda JC-Ajax – die de Amsterdammers dik hadden verloren – de spelers uit de hoofdstad zag zitten in de spelersbus, bij het wegrijden van de parkeerplaats. Vanuit de auto was dat. Ruud Geels, de spits, zag me gluren en gaf me een knipoog. Geweldig gebaar vond ik dat.

Mijn moeder kende de stadionspeaker van Roda JC, mijnheer Krewinkel. Als vertegenwoordiger van stoffen kwam hij regelmatig zijn waren aanprijzen in de winkel waar mijn moeder werkte. Ik vond het heel stoer dat mijn moeder de omroeper kende.

Tijdens de rust van de wedstrijden gingen de tribuneverkopers rond met ijs en chocolade repen. “Roda-ijs, altijd prijs.” Meestal kocht mijn vader wel wat voor ons.

Wanneer mijn favoriete club Ajax op bezoek was, dan schreeuwde ik – klein en mollig als ik was – de longen uit mijn lijf. Veel andere, volwassen supporters vonden het grappig dat zo’n klein ventje zo’n enorm geluid produceerde en als enige Ajax-fan tussen het thuispubliek zijn cluppie aanmoedigde. Als ik dan ’s avonds met mijn vader naar Studio Sport keek, hoopte ik dat je mijn geschreeuw op de tribune kon horen. Met gespitste oren luisterde ik of ik mezelf ‘Ajax’ hoorde roepen.

Tijdens de wedstrijd van het Nederlands elftal tegen Malta, gespeeld op 19 december 1982 in Aken – ik was toen 14 jaar – werd ik op de tribune door een volwassen supporter ‘Bondscoach’ genoemd, omdat ik voortdurend vertelde hoe Oranje zou moeten spelen. ‘We’ wonnen die wedstrijd in de kou trouwens met 6-0.

Mijn ouders en ik gingen ook regelmatig kijken bij VVV Venlo, Fortuna Sittard en MVV uit Maastricht. Ik weet nog dat ik een keer met mijn vriend Ben en zijn oudere broer Ruud naar MVV-Ajax ben wezen kijken en dat we bij terugkomst op de parkeerplaats ontdekten dat ik het portier van de Citroën van Ben’s broer niet op slot had gedaan. Het werd me maar 2 seconden enigszins verweten, maar ik voelde me ontzettend schuldig, ook al was er niks uit de auto gestolen. Autodiefstallen kwamen in die tijd veel voor. Vrienden van ons ontdekten op een dag dat hun luxe Renault op hun Spaanse vakantie-adres helemaal leeg was geroofd.

Reeds als kind heb ik ontzettend genoten van het betaalde voetbal, maar in die periode werd het plezier vergald door het hooliganisme, de voetbalrellen. Er ging haast geen weekeinde voorbij of in een of meerdere stadions brak de pleuris uit. Op televisie zag je iedere zondag beelden van fans die slaags waren geraakt met elkaar en van ME-ers die met hun wapenstokken verwoed op de belhamels insloegen.

Ik kon maar niet begrijpen waarom die gasten – die zogenaamde voetbalfans – zo agressief deden en zo graag met elkaar op de vuist gingen, verboden vuurwerk afstaken en/of dingen naar spelers op het veld gooiden. Ik haatte dat geweld. Ik haatte het iedere keer geconfronteerd te worden met mensen – mensen? – die het hele voetbal verziekten. Ik wilde dat het stopte!

Als stadionbezoeker heb ik in die tijd regelmatig voetbalrellen met eigen ogen gezien. Ik ben sowieso een heel erg gevoelig en daardoor bang aangelegd persoon, en ik scheet telkens in mijn broek als in een supportersvak in onze buurt ramen kapot werden geslagen, mensen van de tribune naar beneden rolden en de ME moest ingrijpen. Heel onaangename beelden, en een heel angstaanjagende sfeer. Ik betreurde deze hele gang van zaken enorm. Als voetballiefhebber heb ik er echt een beetje onder geleden, onder dat hooliganisme.

Tijdens een wedstrijd van Ajax – volgens mij in Maastricht – waren er wederom hevige rellen uitgebroken op de tribune en deed acuut het bericht de ronde dat er ter plekke een meisje was verkracht door een stel Amsterdammers. Op de tribune dus! Het leek en lijkt me sterk, maar die gasten waren tot alles in staat. Het geweld kwam toen heel dichtbij: op een steenworp afstand van waar wij de wedstrijd probeerden te volgen, werd er keihard gevochten. Mijn beste vriend Ben merkte dat ik bang was en kwam ter bescherming achter me staan en zei: “Er gebeurt je niks.” Heel attent. Heel lief eigenlijk.

Het was een verschrikking, dat hooliganisme in heel Europa. Het was een vorm van terrorisme waarbij je je afvraagt wat de daders bezielt, net als nu met die moslim-terroristen, met die IS-duivels. Er zijn nou eenmaal ook slechte en agressieve mensen, zoals er destructieve natuurverschijnselen en agressieve dieren zijn. Door een mengelmoes van karakter (aanleg), foute vrienden en een foute groepscultuur, alcohol en drugs en hier en daar frustrerende persoonlijke omstandigheden zul je altijd lui blijven hebben die de boel verzieken.

Het voetbalvandalisme is gelukkig grotendeels aan banden gelegd door de vele camera’s, de invoering van de clubcard, de stadionverboden, het weren van uit-fans bij risicowedstrijden en de meldplicht tijdens wedstrijden.

http://www.rolanddanckaert.nl

 

 

 

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s