Klassenfoto

Op Facebook zag ik een oude klassenfoto voorbij komen uit 1978, een prent van ‘mijn’ vijfde klas (groep 7 is dat tegenwoordig). Locatie: Vincent van Gogh-school in Roermond, in de wijk De Donderberg. Elf jaar was ik toen. Wat me vooral frappeert, is dat ik een aantal klasgenoten destijds amper heb opgemerkt en heb gesproken. 

Zo wist ik helemaal niet dat Nico ook in die klas heeft gezeten! In mijn herinnering heb ik hem voor het eerst ontmoet op de Mavo van de Rijksscholengemeenschap in Roermond. Mijn beste vriend Ben en ik en Nico werden toentertijd stapmaatjes, uitgaansvrienden.

Hoe het eerste contact met Nico precies werd gelegd, weet ik niet meer exact, maar ik kan me vaag heugen, dat Ben en ik op een dag in de schoolbanken aan het keuvelen waren over uitgaan. We waren nog nooit eerder echt wezen stappen en we vonden dat we daar nu wel aan toe waren. Ik heb twee oudere zussen die veel uitgingen en Ben had een oudere broer en een oudere zus die waarschijnlijk eveneens stapten. Zoals ik het me herinner, hoorde Nico ons praten over het uitgaan en trok hij ons over de streep om een keer met hem mee te gaan.

Gedurende een jaar of drie gingen Ben, Nico en ik samen uit. Aanvankelijk alleen op zaterdagavond, maar al snel ook op vrijdagmiddag (happy hour) en zondagavond. In het begin gingen we alleen naar ’t Kelderke, een druk en smal café aan het Stationsplein, met een kleine houten trap naar de bescheiden bovenverdieping. Maar beneden was het hem te doen. Ik meen dat onder de trap – op de begane grond, in een hoek – een voetbaltafel stond waar we nooit gebruik van maakten, misschien omdat die altijd bezet was of omdat we ons wilden focussen op de leuke meisjes bij de bar. Frans – zwarte baard en bril – was de uitbater. Een vrij kalme, stille man volgens mij, maar met een vriendelijke oogopslag. Hij sprak met zijn baard-glimlach.

Ben was een toen nog vrij gezette, roodharige, serieuze maar goedlachse jongen met kuiltjes in de wangen. Nico was de langste van ons drieën en het meest ‘cool’. Hij keek meestal nogal afstandelijk en zelfs afwerend, een beetje boos, totdat je hem echt kende en hij een grapjas bleek te zijn, iemand die het heel leuk vond om de draak te steken met anderen en te lachen om hun onbenulligheden. Hij deed haast niet(s) anders.

Ik weet nog dat een oudere jongen in het café mij beledigend ‘fruitcake’ noemde, vanwege mijn rode wangen, en dat Nico echt helemaal in een deuk lag. De grootste lol had hij ook toen de ketting van mijn fiets liep na een reünie-avond die we als vanouds voortzetten in de stad: “Echt iets voor jou, zoiets, haha!” Hilarisch vond hij het, dat ik altijd klaagde over zware kuiten als ik te veel bier had gedronken (2 glaasjes of meer, haha). Op een uitgaansavond knalde Ben met zijn fiets tegen het openstaande portier van een stilstaande auto en Nico lachte zich slap. Ik idem dito, het zag er immers heel komisch uit – vooral toen Ben met een enorme slag in het kromme wiel verder trachtte te fietsen, maar ik was toch ook wel een klein beetje bezorgd of mijn vriend zich niet al te zeer had bezeerd. Bovendien had ik met hem te doen, aangezien zijn fiets kapot was. Maar nu komt het net over alsof ik een beter mens was dan Nico en dat is natuurlijk niet zo.

Een knappe jongen, die Nico, met zijn grote ogen, volle lippen (mooie mondvorm) en brede kaaklijn. Ikzelf was – met mijn gevoel voor (kleding)stijl, aparte diepliggende, kleine grijsgroene ogen en mooie mond – evenmin een onknappe jongeman. Ik was en ben (van nature) heel gevoelig, maar wilde dat niet te veel laten merken. Daarom deed ik stoer (dat probeerde ik althans). Daarbij was ik een schijtluis (heel snel heel bang), best stil (in elk geval; geen verteller) en verlegen, en toch kon ik soms verrassend grappig en brutaal uit de hoek komen.

Hoewel wij (Ben en ik) en Nico zo lang (bijna) iedere week samen op stap gingen, wisten we weinig over hem. Ja, we wisten dat Nico verliefd was op ‘De Kuif’, zoals we die leuke brunette in ’t Kelderke altijd noemden (ik was verliefd op haar vriendin, eveneens een brunette die we ‘De Langharige’ noemden). Als we uitgingen, kwam Ben meestal naar mij toe en dan ontmoetten we Nico bij de houten patatkraam van Dré. Van daaruit fietsten we met z’n drieën naar de stad, in de ijdele hoop aan het einde van de avond geen vrijgezel meer te zijn: “Tonight is the night!”

We waren alle drie helden op sokken als het aankwam op het afstappen op leuke meisjes. We bleven dan ook jarenlang opgescheept zitten met elkaar. Ik heb nog wel even iets gehad met lieve, mooie Angela wier moeder niet lang daarna op de fiets werd geschept door een vrachtwagen (dood), maar dat was door mijn gebrek aan ervaring met meisjes en relaties geen lang leven beschoren. Nico kreeg uiteindelijk, na jaren, toch iets met ‘De Kuif’. Dat was het einde van onze uitgaansvriendschap met Nico. Voortaan ging hij op stap met zijn verovering.

Een paar jaar later (geloof ik), toen het uit was geraakt tussen Nico en zijn vriendin, stapte ‘De Kuif’ in een danskroeg op mij af en deed ze heel verleidelijk, alsof ze mij wilde versieren. We hebben een dansje gewaagd, maar daar bleef het bij. Ik had er geen zin in om als revanche-materiaal te dienen, of als ‘restje’. En ik was bovendien nog steeds bleu. Ik heb eens het gerucht gehoord dat Nico zo van slag was dat het uit was, dat hij in een depressie en zelfs suïcidaal zou zijn geraakt, een negatieve cirkel waaruit hij zou zijn ontsnapt dankzij hypnotherapie. Maar ik weet niet of het waar is. Wellicht is het een broodje aap-verhaal.

Maar nogmaals, van Nico wisten Ben en ik weinig. We kwamen nooit bij hem thuis (waarom weet ik niet) en hij kwam slechts heel sporadisch bij ons aan de deur. Eén keer deed een van mijn zussen open toen Nico aan de deur stond met z’n zomerse, bruine kop. “Zo, jij mag er wezen,” floepte mijn zus eruit, een (spontaan en onverwacht) compliment waarvan Nico natuurlijk helemaal opvrolijkte. Dat moment weet ik nog goed, niet alleen omdat Nico zeer zelden bij ons thuiskwam (in al die jaren misschien 2 keer en dan niet verder dan de voordeur), maar ook omdat ik jaloers was, omdat mijn zus hem zo knap vond en hem dat compliment maakte.

Over privé-zaken hadden we het onderling nooit, en al helemaal niet met Nico. Over zijn situatie thuis zijn we nooit iets te weten gekomen. Zelf was ik evenmin mededeelzaam. Ik meen dat ik zelfs mijn beste vriend nooit echt heb verteld wat er bij ons thuis allemaal mis was en mis ging. En hij vertelde weinig over zijn broer die aan alcohol verslaafd zou zijn geweest en over zijn zus die in een religieuze sekte zou zijn beland.

Mijn beste vriend heeft me tijdens een schoolpauze – hij wilde plotseling even met mij gaan wandelen, waarmee ik met tegenzin instemde – wél verteld dat bij zijn moeder suikerziekte was vastgesteld. Dat moest hem blijkbaar van ’t hart. Hij was net als ik een moederskindje en dat er iets was met zijn mama, was voor hem natuurlijk verschrikkelijk.

Nico was net als ik ijdel, dat wist ik dan wel van hem. Vooral met zijn wat langere haren was hij altijd in de weer. Zodra we in het café arriveerden, ging hij als eerste, pijlsnel, naar het toilet om met een meegebrachte kam zijn kapsel te fatsoeneren. Ironisch genoeg werd hij vroeg kaal.

Tot zover de herinnering aan Nico en Ben. Het kwam allemaal bij me boven toen ik tot mijn grote verbazing Nico op die oude klassenfoto zag staan. Ik kan me niet heugen hem toen al opgemerkt te hebben, op en rondom de lagere school ooit een woord met hem te hebben gewisseld.

Ik vind het zo gek, nu, dat er klasgenoten bij waren met wie je echt helemaal geen contact had en die je je amper of helemaal niet meer kunt herinneren. Als kind ben je blijkbaar heel erg bezig met je ‘eigen’ groepje mensen dat je kent, waarmee je contact hebt. Zo zullen er beslist oud-klasgenoten zijn die niet (meer) weten wie Roland is, die niet weten of wisten dat er überhaupt een Roland bij hen in de lessen zat.

Tot slot: ik weet nog dat een van mijn vrouwelijke klasgenootjes tegen een ander meisje zei, met het oog op mijn portretfoto uit 1978: “Hij staat er precies op zoals hij is.” Ik vroeg me toen af hoe ik (in haar ogen) dan eigenlijk was. Echter, deze stille vraag hield ik voor me. Ik was niet assertief en niet soepel in de omgang met mensen en dieren.

Als ik eerlijk moest zijn, dan zag ik niet de stoere jongen die ik wilde zijn, maar een gevoelige, zachtaardige lieverd (niet altijd een engeltje natuurlijk). Ik werd soms voor een meisje aangezien, mede vanwege mijn wat langere haar (echter niet heel lang, nog niet eens tot op de schouders). Dat vond ik altijd vernederend. Later heeft een masseur eens tegen mij gezegd: “Je hebt een wat vrouwelijk lichaam.” Hij bedoelde het niet als kritiek, eerder een beetje vleiend, maar het was vooral een opmerking, een constatering, een vaststelling. Maar ik heb dan ook in best veel opzichten een wat vrouwelijk karakter…

http://www.rolanddanckaert.nl

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s