Captain Cook spreekt

In de Dominicaanse Republiek voeren mijn vrouw en ik door de mangroven, in de Ecuadoriaanse wateren spotten we vanaf de boot een walvis, in Florida zwommen dolfijnen mee met onze boot, in India (Varanasi) voeren we met een bootje over de Ganges en we hebben al dikwijls de oversteek gemaakt van Nederland en Frankrijk naar Engeland.

Mijn vrouw is een goede zwemster, ik ben een landrot met watervrees. Maar toch doet het me altijd wel wat als we aan of op het water zijn. Dat geldt voor veel mensen en voor mij mogelijk extra, omdat mijn grootouders uit Limburg schippers waren. Daarom vind ik het een eer dat captain James Cook (1728-1779) – zeevaarder en cartograaf – mij vanuit het hiernamaals een verhaaltje heeft verteld. Hieronder zijn relaas.

“Van jongs af aan fascineerde de zee mij mateloos, omdat je via het water naar verre en soms onontdekte gebieden kon varen. Ik was nieuwsgierig en avontuurlijk van aard. Mijn vader daarentegen was een arme boer. Hij leek me intelligent, maar best wel tevreden met zijn bescheiden leven in North Yorkshire. Maar ik wilde van dat eiland af en meer van de wereld zien.

Toen ik 14 jaar was, had ik mijn eerste baantje als loopjongen van een kruidenier, maar dat werk boeide me weinig. Ik hunkerde onderwijl naar het werken op een boot, naar het varen. Gelukkig kreeg ik de kans om in Whitby aan de Engelse Oostkust op een kolenschip te gaan werken. Nog niet het soort werk waar ik mijn zinnen op had gezet – namelijk ontdekkingsreizen maken en wetenschappelijk onderzoek doen – maar ik kwam in elk geval steeds dichterbij mijn doel.

Ik voer over de Noordzee en de Oostzee en voelde me als een vis in het water. Mijn meerderen hadden snel door dat ik meer kon dan dekken schrobben en toen ik nog geen 27 jaar was, ging ik bij de Royal Navy, de militaire vloot van Engeland. Ik werd tijdens de Zevenjarige Oorlog naar Canada gezonden om daar als marinier tegen de Fransen te vechten. In die periode heb ik leren navigeren en landkaarten leren lezen en zelfs zelf kaarten leren maken. In dat laatste was ik zo goed, dat ik een beroemd cartograaf werd en bijvoorbeeld wel een decennium lang heb gewerkt aan het in kaart brengen van de kusten van Newfoundland. Ik benutte mijn waarnemingen van de zonsverduistering om de lengtegraad van Newfoundland vast te stellen. Monnikenwerk, maar ik genoot van elke seconde dat ik ermee bezig was. Ik had toen al twee kinderen van mijn mooie, lieve vrouw Elizabeth: Jamie en Nat.

Met een team van onder andere wetenschappers zoals astronomen voer ik in 1768 als luitenant mee op de  HMS Endeavour. Het doel was de Venusovergang waar te nemen. Dat lukte. We hebben de planeet Venus voor de zon langs zien schuiven. Het voornaamste doel was evenwel het vinden van het vermeende continent Terra Australis dat oostwaarts van Nieuw-Zeeland zou liggen. Ik ontdekte – inmiddels als commandant – eilanden en bracht ze in kaart. Nochtans was er vier jaar later een tweede expeditie nodig en gepland om het vermoede continent te vinden, of te concluderen dat het gewoonweg niet bestond. Dat laatste bleek het geval te zijn. Ik slaagde erin een einde te maken aan een mythe, aan een valse aanname dus eigenlijk.

In 1776 maakte ik als kapitein mijn laatste reis, de derde grote expeditie. Inmiddels was ik alweer drie keer vader geworden, maar Elly, Joseph en George kwamen helaas vroeg te overlijden. Tijdens die derde reis, ditmaal naar de westkust van Noord-Amerika, werd ons zesde kind geboren, Benny. Trots was ik niet alleen op mijn kinderen, maar ook op de hoge onderscheiding die ik dat jaar ontving, de Copley Medal, de hoogste prijs die de High Society of Londen uitreikt aan personen die bijzondere prestaties hebben geleverd in het kader van wetenschappelijk onderzoek.

We ontdekten het huidige Hawaï, een bijzondere eilandengroep. Zoals altijd bracht ik het hele gebied in kaart. De bewoners op het eiland Maui waren in het begin alleraardigst. Ze zagen mij aan voor Lono, hun God van de Voorspoed. Door tal van omstandigheden werd de band met de inboorlingen steeds slechter. Toen ze ook nog een boot van ons hadden gestolen, liep het vreselijk uit de hand. Ik wilde een eilandbewoner laten gijzelen om het vaartuig terug te krijgen. Van beide kanten werd er met geweld gedreigd. Een van mijn mannen schoot een Hawaïaan neer. Daarop ontstond een groot gevecht waarbij vier van mijn mannen en ik om het leven kwamen, werden doodgeschoten.

Ik mocht slechts vijftig jaar worden. Mijn vrouw Elizabeth werd maar liefst 93 jaar. Zij overleefde al onze kinderen.

Ik ben niet oud geworden, maar ik heb gedaan waarvoor ik in de wieg was gelegd. Ik zou het zo weer overdoen. Varen met als doel om wetenschappelijk onderzoek te doen, te ontdekken en mijn land te verdedigen en uit te breiden met veroveringen is het mooiste wat er is. Ik heb daarbij geen leven geleid dat ongezien en onbesproken is gebleven. Mijn naam en mijn werk zijn nog steeds bekend en zijn niet weg te denken uit de geschiedenisboeken.

Natuurlijk betreur ik de wijze waarop de situatie op Hawaï uit de hand liep. Maar je weet dat zulke dingen kunnen gebeuren. Dat is het risico van het vak.

Varen was voor mij de hemel op aarde. Maar het is wat mij betreft zelfs de hemel in het hiernamaals. Ik ben dan ook blij dat ik alle dagen kan varen over de hemel-zeeën, als kapitein op achttiende-eeuwse zeilschepen. Die zijn toch nog altijd het mooiste. Met die moderne schepen zijn navigeren en sturen geen heel grote uitdaging meer. Ik vond het heerlijk om mijn schepen door noodweer te loodsen en om mijn bemanning gemotiveerd en gezond te houden. Ik gaf mijn mannen altijd veel zuurkool te eten. Daar zit veel vitamine C in. Ik ben er trots op dat mijn schepen nooit zijn vergaan en slechts weinig mannen stierven door bijvoorbeeld scheurbuik.

Ik ben tevens trots op het feit dat ik heb mogen samenwerken met de beste natuurkundigen, zodat we niet alleen gebieden in zee en op land hebben ontdekt en in kaart brachten maar ook meer te weten zijn gekomen over de astronomie.

Ten slotte ben ik het meest fier op mijn lieve vrouw Elizabeth die het zo vaak zo lang zonder mij moest stellen. Helaas werden onze kinderen geen van allen oud. Jamie en Nat hadden mijn zeevaarders-genen en waren net als ik idolaat van het varen. Ze stierven beiden tijdens een storm op zee. Onze zesde telg, Benny – geboren tijdens mijn laatste en noodlottige reis – heb ik nooit levend gezien. Hij overleed door een koortsaanval, terwijl hij een veelbelovende student was op de universiteit in Cambridge. Zonde dat onze kinderen de dood vonden voordat ze carrière konden maken en kinderen konden krijgen. Maar ik weet niet of ik mijn ambities had kunnen opofferen voor hun leven en geluk. Daarvoor was en ben ik, denk ik, toch te veel een egoïst en te ongedurig.”

http://www.rolanddanckaert.nl

 

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s