Moe van het lijden

“Ik ben aan het einde van mijn Latijn,” zei Mary, en ze zag er inderdaad afgepeigerd uit. “Ik ben doodmoe. Echt ram-kapot. Ik voel me helemaal uitgewrongen. Mijn moeder die erg gelovig is, zegt dat ik moet bidden, maar alleen als je geluk hebt en de omstandigheden meezitten, dan helpt het bidden. Ik moet dan altijd denken aan de mensen in de concentratiekampen die hun handen en tong stukgebeden hebben, maar het niet hebben overleefd, of met een levenslang trauma opgezadeld hebben gezeten. Bidden helpt echt alleen als je geluk hebt: als het toeval een handje helpt, als een ander de helpende hand biedt of als de samenloop van omstandigheden in je voordeel uitpakt. Dan schrijven ze dat geluk aan de gebeden toe. Ik geloof er niet in. Ik heb tegen mijn moeder gezegd: ‘Mam, bidt jij maar voor mij’. Bidden is mij wezensvreemd. Bidden voelt voor mij alsof ik als katholiek opgevoed, maar thans atheïstisch meisje vijf keer per dag Allah aanroep of dat ik als hetero met een vrouw naar bed ga en ga trouwen.”

“Ik ben moe van de vermoeidheid,” vervolgde Mary haar oprechte klaagzang. “Het moe-zijn put me (verder) uit. Mijn man Harry zegt dat ik er een paar dagen tussenuit moet knijpen, maar ik heb a). geen verlofdagen meer en b). een paar dagen, daar red ik het niet mee. Ik heb minstens een half jaar nodig om bij te kunnen tanken. Harry zegt ook dat ik eens de boel de boel moet laten, maar hij zal thuis geen poot uitsteken – en al helemaal niet uit zichzelf.”

“Heus, ik ben moe van alles. Doodmoe. Ik ben moe van de sleur, moe van de voorspelbaarheid van het dagelijks leven, moe van het huishouden, moe van mijn werk dat ik zonder veel vreugde doe, moe van mijn rolstoel, moe van de pijn in mijn enkels, moe van mijn angst voor de dood en voor verdere aftakeling, en ik ben moe van de conflicten met mensen en moe van al mijn trauma’s. Ik ben de herinnering aan het misbruik in mijn vroege jeugd – door twee neven en een oom – meer dan zat. Echt, ik ben kapot. Ik kan niet meer. Het liefst maakte ik er nu een einde aan, maar dat durf ik uiteindelijk niet en ik wil het bovendien Harry en onze Charlotte niet aandoen.”

Mary zuchtte diep en na een stilte van driekwart minuut ging ze verder. “Ik ben werkelijk totaal gesloopt, helemaal op. Ik ben moe van Donald Trump, de onmenselijke behandeling van vluchtelingen, het overal opdoemende nationalisme, de haat-imams, Wilders, Baudet, de terroristische aanslagen, Johan Derksen, de klimaatverandering, de toestand in de Gaza-strook, de Brexit en ik ben moe van mezelf. Moe van mijn gedachten, emoties en gevoelens, moe van het gepieker, het getwijfel en het dubben, moe van m’n eigen geklaag. Ik heb een wonder nodig. Een wonder heb ik nodig om hier uit te komen. Ik heb een heel lange tijd nodig van emotionele rust, luxe, comfort en van geluk, warmte, liefde, GEZONDHEID en plezier. Ik heb iets nodig wat hier niet te verkrijgen is. Ik ben levenslustig, maar tegelijkertijd levensmoe. Stervensmoe. Echt stervensmoe ben ik. Ik ben volledig kapot.”

“Je zegt dat ik van de kleine dingen moet genieten, in het Hier en Nu. Maar daar ben ik te kapot voor, te moe voor. Ik kan alleen nog maar creperen, afzien, lijden. Ik ben moe van de constante stroom van zorgen en problemen, van oude en daarbovenop nieuwe complicaties. Ik ben moe van alle ziekenhuisbehandelingen en doktersbezoeken, ik ben moe van alle rekeningen die ik moet betalen maar die ik niet allemaal kan aflossen, omdat we geldgebrek hebben. Ik ben moe van de radeloosheid en hulpeloosheid. Ik ben moe van het gebed zonder einde.”

Mary begon nu te snikken: “Ik wil dolgraag, maar ik kan niet meer. Ik heb vorig jaar ook al twee maanden eruit gelegen en alleen maar gerust, maar ik heb niet alleen rust nodig: ik heb een heel nieuw leven nodig, een heel lange aaneengesloten periode van geluk, zorgeloosheid, gezondheid en blijdschap. Ik kan nu wel weer de stekker eruit trekken, maar als ik geen leuke dingen kan doen en alleen maar ziek thuis op bed kan liggen, dan knap ik daar niet van op, want dat is ook niet leuk. Bovendien zet ik dan mijn baan op het spel. Mijn bazen lieten tijdens mijn vorige uitval al merken dat ze er enorm van baalden dat ik er zo lang uit lag en dat ze me door moesten betalen.”

“Hoewel ik mijn werk verafschuw, heb ik het geld nodig. Ander werk kan ik niet vinden. En als ik na een paar weken of maanden ziek-vieren weer moet beginnen, begint alles weer van voren af aan! Ik heb een LEUK leven nodig. Daar zou ik van opknappen: een LEUK, ZORGELOOS leven. Maar niemand kan of wil het me geven, en God al helemaal niet, want die bestaat nog minder dan Sinterklaas! En ik kan een beter bestaan zelf niet creëren. Wat kan ik nog meer doen dan wat ik allemaal al heb gedaan?! Mijn leven zit muurvast, mijn lot zit op slot. Ik zit er werkelijk helemaal doorheen. He-le-maal. Ik heb gewoon nergens zin meer in. Alles staat me tegen. Ik heb de buik vol van het leven. Ik voel me kotsmisselijk. Het lijden duurt nu al veel te lang en is al veel te lang veel te heftig. Er staat te weinig meeval tegenover. Het is David tegen Goliath.”

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.